De hele nacht horen we de grondeekhoorns kwetteren. Wat ze precies bespreken blijft onduidelijk, maar stil is het geen moment. Af en toe klinkt er ook een vos in de verte.
Wanneer we wakker worden, ligt er mist over de vlakte. De tent is nat en aan de struiken hangen druppels. Mist in de woestijn voelt vreemd. Volgens de beheerder van de camping is het in deze tijd van het jaar normaal. Koele lucht vanaf de Atlantische Oceaan trekt ’s nachts het binnenland in en condenseert boven de koude woestijnvlakte. Het levert een bijzonder beeld op: een grijze ochtend die even goed in Nederland had kunnen zijn, ware het niet dat we hier in korte broek rondlopen tussen acacia’s en zand.

We hebben vandaag geen haast. De volgende camping ligt slechts dertig kilometer verderop. Dat geeft ruimte voor een rustige ochtend. Rond de tent scharrelen grondeekhoorns, mongooses en een paar nieuwsgierige vogels. Ze lijken volledig gewend aan mensen en bewegen zich onverstoorbaar tussen onze spullen.
Solitaire is klein, maar verrassend compleet. Er is zelfs een bakkerij waar we vers brood halen. Met koffie en belegde broodjes beginnen we de dag langzaam. Op deze plek, midden in de woestijn, voelt dat bijna luxueus.

De realiteit van gravel
De eerste kilometers verlopen soepel. De weg is vlak en goed te rijden. Maar al snel verandert het oppervlak in iets waar elke fietser in Namibië mee te maken krijgt: wasbord.
De weg ligt vol met korte ribbels van hard aangestampt gravel. Het zijn patronen die ontstaan door zwaar verkeer en droog stof dat telkens opnieuw wordt samengedrukt. Auto’s kunnen er met snelheid overheen zweven. Op een fiets betekent het stuiteren.
Het verkeer komt vooral van toeristen die vanuit Sossusvlei doorrijden naar de kust. Grote voertuigen razen voorbij en laten stofwolken achter. Wij krijgen de volle laag. Soms verandert het oppervlak in los zand, even later weer in ribbels die het stuur laten trillen.

Na een tijdje begint het lichaam te protesteren. Zadelpijn, trillende armen en een zitvlak dat langzaam beurs raakt. Hiervoor zit vaseline in de tas.
Het landschap maakt veel goed. De woestijn oogt leeg en kaal, maar dat blijkt een misleidend eerste beeld. Er staan verspreid bomen en struiken. Geel gras beweegt in de wind. Een kudde antilopen rent springend door het landschap en sluit zich even verderop bij een andere groep aan.
Aan de horizon verschijnen de eerste rode zandduinen. Links en rechts liggen kale bergen die eruitzien alsof ze langzaam uit elkaar vallen in ronde, roodbruine blokken. Afstanden zijn hier moeilijk te schatten. Wat dichtbij lijkt, blijkt vaak nog kilometers ver. Na dertig kilometer zijn we uitgetrild.

Een onverwacht einde van de dag
De plek waar we willen kamperen lijkt perfect. Een zwembad, uitzicht op roodbruine bergen en een ijskoud biertje in gedachten. De realiteit blijkt anders. Kamperen kan hier niet meer. Chalets kosten 3.600 Namibische dollar per nacht. De camping zijn we acht kilometer geleden al gepasseerd. Daar kun je inmiddels ook niet meer staan. In Sesriem kan het wel, maar dat ligt nog zestig kilometer verderop. Dat plan laten we snel los.
De medewerkers bij de receptie zien onze gezichten en besluiten mee te denken. Er blijkt nog een gidsenkamer beschikbaar. 800 dollar per persoon, inclusief diner en ontbijt. Terwijl we praten en lachen zakt de prijs langzaam naar 1.000 dollar voor ons samen. De kamer blijkt een ruime hotelkamer te zijn die wij als bovengemiddeld ervaren.
De dag die begon met mist en eindigde in wasbordpijn sluit uiteindelijk af in een infinity pool met uitzicht op wrattenzwijnen die rustig door het gras scharrelen.
Soms is improvisatie de beste routeplanning.