Home AfrikaGambiaKartung–Abané: Het schrift aan de grens

Kartung–Abané: Het schrift aan de grens

by Jeroen Kleiberg
Published: Updated:

Vandaag steken we de grens met Senegal over. Wie lokaal is of maar kort het land in wil, kan hier de rivier oversteken met een bootje en staat na vijftien kilometer al in Abené, dezelfde oversteek waar we eergisteren aan de overkant hebben gegeten. Wij hebben een officiële inreisstempel nodig voor een langer verblijf en moeten via een formele grenspost. Sinds kort kan dat bij Darsilami, wat ons een grote omweg bespaart. De alternatieve route via de drukke wegen langs Brikama en Dimbaya hoeven we niet.

Van digitaal naar grootboek

De route naar Darsilami is prettig. De laatste kilometers zijn onverhard, deels door los zand, deels door het droge bed van de grensrivier. Overal staan palmbomen; langs de oevers wordt rijst verbouwd. We komen aan bij wat tot nu toe de meest ontspannen grensovergang van de reis blijkt. Drie Gambiaanse grenswachten vinden het zichtbaar leuk dat we hier verschijnen. Er worden complimenten toegeworpen: handsome, very healthy, strong looking. Vingerafdrukken worden genomen, een foto gemaakt, een uitreisstempel gezet, opvallend modern allemaal. We krijgen zelfs het telefoonnummer van een van de grenswachten, voor het geval er problemen zijn. Het is al de tweede grenswacht deze reis van wie ik een nummer krijg.

Na twee kilometer over een zandweg bereiken we de Senegalese grenspost. Kinderen rennen mee en roepen iets dat klinkt als toubab, de gangbare term in West-Afrika voor een blanke of westerling. Anderen houden het bij bonjour en ça va. Na het Engelstalige Gambia zijn we nu duidelijk in Franstalig Senegal. Waar in Gambia alles digitaal ging, worden hier onze gegevens met de hand genoteerd in een groot schrift.

De grenspost bestaat uit een klein houten hokje met een gespierde beambte. We worden vriendelijk ontvangen. Officieel schijn je aan de grens iets te moeten betalen, maar hier volstaat een lach om een stempel te krijgen.

De weg naar Abené

Aan Senegalese kant rijden we over een rode, stoffige gravelweg. Auto’s zien we nauwelijks. Wel veel fietsers, brommers en voetgangers. Langs de weg staan baobabs, palmbomen en andere subtropische vegetatie. ’s Ochtends is het aangenaam fietsen; in de middag loopt de temperatuur snel op.

Onderweg komen we weinig tegen, en dat is ook maar goed: we hebben nog geen Senegalese francs. Pinnen of betalen met een creditcard is hier geen optie. De kaartinfrastructuur in de Casamance reikt niet buiten de grotere steden, en de economie draait op contant geld. Opvallend veel voertuigen hebben grote piepschuimen kisten vol vis achterop. De kustvisserij is hier een van de voornaamste inkomstenbronnen. Als we weer op een verharde weg uitkomen, is het nog zestien kilometer naar Abené.

Een plastic tas vol biljetten

Abené is een van de drukkere toeristische plekken in de Casamance en dat merken we direct: veel blanke bezoekers, een levendige straat met winkeltjes, cafés en restaurants. We fietsen helemaal door tot het einde van de weg en vinden een kamer met een beetje uitzicht op zee voor 15.000 CFA-frank.

We hebben dringend geld nodig. Via-via wordt een lokale geldwisselaar geregeld, die verschijnt met een plastic tas vol bankbiljetten. Voor tweehonderd euro krijgen we ongeveer 130.000 CFA-frank, grotendeels in biljetten van 2.000. De CFA-frank is de gezamenlijke munt van acht West-Afrikaanse landen en is aan de euro gekoppeld. Dat maakt de wisselkoers stabiel en voorspelbaar, maar contant geld blijft onmisbaar.

Het campement is in buitenlandse handen; het restaurantje waar we ’s avonds eten ook. Dat blijkt hier eerder regel dan uitzondering. De Casamance trekt al decennia Europese, overwegend Franse, toeristen en investeerders aan en in Abené is zichtbaar hoe dat de eigendomsverhoudingen heeft gevormd.

Laat een bericht achter


Meer inspiratie