Kafountine staat in de reisgidsen als hoogtepunt van de Casamance, dus fietsen we de vijftien kilometer vanuit Abené erheen. De weg wordt drukker naarmate we dichterbij komen: werkplaatsen, ontmantelde vrachtwagens, kleine winkels. Op het vissersstrand werken honderden mensen, misschien wel duizend, tussen de vis en de rook. De stank slaat over de weg. We voelen ons niet welkom; blikken zijn onvriendelijk, een enkele opmerking ronduit vijandig. We snappen de aanbeveling niet en fietsen terug zonder te eten.
Kafountine, het dorp dat een hoogtepunt moest zijn

Onderweg terug zien we in een wegrestaurant het patroon dat op meer plekken langs deze kust zichtbaar is: oudere Europese mannen met veel aandacht voor jonge lokale vrouwen. Het is een informele economie die zich achter de gastvrijheid heeft genesteld, en die je hier eerder tegenkomt dan de folder doet vermoeden.

In Abené is het weer rustig. Geen hoogbouw, geen resorts; de visserij is de kurk waar het dorp op drijft, met houten pirogues die bij het ochtendgloren uitvaren. Een bord rijst met pindasaus, aardappel, pompoen en kip kost 1.000 CFA-frank, zo’n anderhalve euro. ’s Avonds spreken we de Nederlandse eigenaar van ons onderkomen, die een verleden in Jamaica achter zich heeft, cel en uitzetting incluis, en hier opnieuw is begonnen.
Het binnenland in: handdrukken, rijstvelden en een regenhuis

Net na zonsopkomst vertrekken we met chocoladepasta en stokbrood richting Balinghore, vijfendertig kilometer over slechte wegen vol kuilen. In de dorpjes met hun zandstraten en baobabs komen schoolkinderen ons de hand schudden, met een kleine buiging en de roep loulou. Tegenliggend fietst een Nederlander, Bert, op precies hetzelfde model als wij. We herkennen hem van een ontmoeting in Oman, begin 2020, vlak voor de pandemie. Zijn overlandreis om de wereld strandde daarna: zijn truck stond jaren vast in Jeddah en is uiteindelijk verkocht, en Bert woont nu in een tochtig bijgebouw in Nederland. Hij is op weg naar Abené om de boot naar Cap Skirring te halen.
Voorbij baobabs, mango’s en citrusbomen bereiken we over rode gravelwegen langs de rijstvelden Balinghore, waar een halve dorpsgemeenschap ons de hand komt schudden. We logeren bij Avance, familie van onze Senegalese vriend Ibrahim. Wie precies wie is, blijft onduidelijk: neef, vriend, aangetrouwd, de naam Diallo verwijst hier naar een bevolkingsgroep, niet naar een achternaam. We krijgen de mooiste kamer met een groot houten bed, vermoedelijk deels betaald met geld van familie in het buitenland, Ibrahim incluis. Het eten komt rond negen uur, nadat Ibrahim via WhatsApp heeft ingegrepen. Avances vrouw is net terug uit het ziekenhuis, met hun pasgeboren zoon.
We vertrekken uit Balinghore vooral om onze bewegingsvrijheid terug te krijgen; hoe oprecht de gastvrijheid ook is, de constante nabijheid in een gedeeld huishouden begint te schuren. Vijfendertig kilometer dieper het wetland in, richting Thionck Essil, fietsen we door bos, langs meren en rijstvelden waar volop wordt geoogst. De dorpen hebben steeds een paar grote bomen als middelpunt en een winkeltje waar weinig wordt verkocht en niets gekoeld. Bij Campement Abénékom slapen we in een casa impluvium, het traditionele regenhuis van de Diola: rond, met een naar binnen hellend dak dat uitkomt op een open middenruimte waar regenwater wordt opgevangen. De open structuur en het verdampende water temperen de hitte, een bouwwijze die volledig op het klimaat is afgestemd.
De volgende dag fietsen we een lus door de delta: Mlomp, Kartiack, Tiobon. Naast de baobabs staan hier kapokbomen met brede kronen en diepe schaduw. Het is zondag, en overal snoeien mannen met kapmessen het struikgewas rond de dorpen. Op een smal pad tussen de rijstvelden verspert een man in een bijna plantaardige uitdossing ons even de doorgang. In de Casamance is het animisme nog verweven met het dagelijks leven, naast de islam, en een bosdokter met kennis van planten en rituelen wordt geraadpleegd bij ziekte of tegenslag. Tegen vijf uur volg ik sporen over een drooggevallen vlakte naar een eiland dat de oprukkende droogte bijna heeft leeggemaakt. Hoog in de top van een baobab zitten twee kraanvogels.
Per boot door de bolongs naar de zeekoeien
Van de Nederlandse fietser Gerrit Heij horen we dat we de lange omweg via Ziguinchor kunnen overslaan. In plaats daarvan varen we in bijna twee uur van Thionck Essil naar Pointe Saint George, door de bolongs: natuurlijke kreken die volledig door mangrove worden omzoomd en met het getij verschuiven. De schipper stuurt zonder aarzelen door het doolhof, soms tussen de luchtwortels door. Op de brede Casamance-rivier controleert een douanier in korte broek onze paspoorten, vermoedelijk vanwege de nabijheid van Guinee-Bissau. Bij Campement Le Lamantin kost een kamer 26.000 CFA-frank, zo’n 39 euro, met halfpension. De campements hier zijn kleinschalig en in familiehanden.
De volgende ochtend loop ik hard over een grindpad en stuit op een enorme mierenkolonie die verhuist. Dwars over het pad hebben de dieren een tunnel van levende mieren gebouwd, waar een ononderbroken stoet werksters met eitjes en larven doorheen trekt. Kleinere soldaten met grote kaken bewaken de opening, grotere staan op vaste afstanden langs de rand.
Als ik mijn vinger op de grond zet, word ik direct geregistreerd en volgt er een aanval.
De Casamance-rivier is hier een breed getijde-estuarium waar het water sterk stijgt en zakt. Bij eb komen uitgestrekte zandbanken bloot te liggen, wat de bevaarbaarheid onvoorspelbaar maakt en de grote scheepvaart naar andere routes verlegt; de visserij blijft kleinschalig, dicht bij de kust en de oevers. Waar we voor gekomen zijn, zijn de lamantins, de Afrikaanse zeekoeien die in de rivier leven. Vanaf het strand kijken we bij laag water naar het water tot er heel even een donkere, ronde rug bovenkomt om adem te halen en weer verdwijnt.
Praktische informatie
Route en afstand: vanuit Abené fietsen we via Balinghore naar Thionck Essil, met dagafstanden rond de vijfendertig kilometer over slechte wegen en zandpaden. Van Thionck Essil gaat het per boot verder naar Pointe Saint George; dat bespaart de lange omweg over de weg via Ziguinchor.
Kafountine: het vissersstrand wordt vaak als hoogtepunt aangeprezen, maar is een druk, sterk ruikend werkstrand waar bezoekers zich niet altijd welkom voelen. Wie de visserij-economie wil zien, vindt er genoeg; wie rust zoekt, zit in Abené beter.
Per boot door de bolongs: de oversteek van Thionck Essil naar Pointe Saint George is per lokale boot te regelen. Neem je paspoort mee, er kan onderweg op de Casamance-rivier worden gecontroleerd.
Slapen en eten: in de dorpen overnacht je in campements, kleinschalig en in familiehanden. Een eenvoudige maaltijd kost rond de 1.000 CFA-frank (ca. anderhalve euro); een kamer met halfpension bij Pointe Saint George rond 26.000 CFA-frank (ca. €39). Neem contant geld mee: pinnen kan hier niet.
Zeekoeien: de lamantins laten zich bij laag water soms even zien vanaf het strand bij Pointe Saint George. Geduld en stilte helpen; garanties zijn er niet.
Plan je reis
- Overnachten in Senegal: vergelijk accommodaties ›
- Trein- en bustickets in Senegal: bekijk routes op 12Go ›
- Activiteiten en excursies in Senegal: bekijk op GetYourGuide ›
Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.
Meer uit deze reis
Terug in Gambia: checkpoints, chimpansees en de rivier stroomafwaarts5 januari 2026
Een kattenbeet op oudjaarsdag: door het hete binnenland naar Vélingara30 december 2025
Kerst in Cap Skirring en de weg naar Ziguinchor24 december 2025Plan je eigen reis door Senegal
De reisgids bundelt alle praktische artikelen: vervoer, overnachten, geld en de beste routes.
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.