
Kafountine staat in reisgidsen als een van de hoogtepunten van de Casamance: een belangrijk vissersdorp, zeker de moeite waard. De nacht ervoor verloopt onrustig. De honden van Abené hebben collectief besloten dat blaffen nachtwerk is; overdag liggen ze te slapen. Waarschijnlijk zijn er ook vlooien in het spel. Rond het middaguur fietsen we de vijftien kilometer naar Kafountine. Eerst door de stoffige hoofdstraat van Abené, waar alles onder een dikke laag rood stof ligt, dan via een onverharde route langs huizen, erfjes en dieren die hetzelfde stof dragen.

Het vissersstrand van Kafountine
De weg wordt richting Kafountine alleen maar drukker. Al kilometers voor het dorp: werkplaatsen, motorreparaties, half ontmantelde vrachtwagens en een eindeloze reeks kleine winkeltjes. Er zijn blanke bezoekers, maar nauwelijks hotels of restaurants die uitnodigen om te stoppen.
Op het strand zijn honderden mensen, misschien wel duizend, bezig met het aan land brengen en verwerken van vis.
Dit is geen dorp dat toevallig aan zee ligt, het is een aanlandingsplaats. De vangst gaat rechtstreeks van de pirogues naar de rookovens en droogrekken achter het strand en verdwijnt daarna landinwaarts, richting Mali en verder. Wat overblijft blijft liggen. Het strand is vervuild en de stank is er de hele tijd. Met fietsen en bepakking vallen we op tussen mensen die aan het werk zijn, en dat is precies het probleem: we kopen niets, we dragen niets, we staan in de weg. Een paar keer worden we aangesproken op een manier die niet vriendelijk bedoeld is. Reisgidsen presenteren Kafountine als hoogtepunt van de Casamance. Wij begrijpen dat niet goed. We hadden hier willen lunchen, maar we fietsen terug naar Abené.

Een verlopen terras
Onderweg stoppen we bij een restaurantje voor iets te drinken. Aan de tafels zitten oudere, alleenstaande witte mannen met jonge lokale meisjes naast zich. Niemand doet moeite het anders te laten lijken.
Terug in Abené keert de rust meteen terug. Het dorp is toeristisch maar kleinschalig: geen hoogbouw, geen resorts. Het lokale leven gaat zijn gang. De visserij is ook hier de voornaamste inkomstenbron, alleen op een andere schaal: in de vroege ochtend varen een stuk of tien pirogues de zee op, geen honderd. We eten in een lokaal restaurantje rijst met pindasaus, aardappel, pompoen en een stukje kip voor 1.000 CFA-frank, ongeveer anderhalve euro. Daarna lopen we naar het strand voor de zonsondergang.

Een Nederlander zonder vaste herkomst
’s Avonds raken we aan de praat met de Nederlandse eigenaar van een accommodatie in Abené. Hij heeft op Jamaica gewoond, daar gevangengezeten, is het land uitgezet en daarna in meerdere andere landen terechtgekomen. Waar hij precies vandaan komt, lijkt hij zelf ook niet meer goed te weten. Nu heeft hij hier zijn leven opgebouwd.
Foto’s uit dit verhaal
Meer foto’s uit Senegal ›




Waar deze dag ligt
Fietsreis door Senegambia, nu in Senegal. Bekijk de hele route ›
Verder in de serie
Naar het reisoverzicht ›
‹ Vorige aflevering5. Kartong–Abené: het schrift aan de grens
Volgende aflevering ›7. 35 kilometer en duizend handdrukkenSpring naar een andere aflevering
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.