Het keizerrijk dat tweeduizend jaar standhield, viel in 1911. De republiek die volgde, was zwak, verdeeld en al snel verscheurd door burgeroorlog en de Japanse bezetting. Pas in 1949 kwam er een nieuwe, stevige staat, toen Mao Zedong vanaf het Plein van de Hemelse Vrede de Volksrepubliek China uitriep. De geschiedenis die daarop volgt, verklaart veel van wat de reiziger vandaag ziet: de strakke staatscontrole, de razende bouwwoede en de ongelijke verdeling tussen kust en binnenland.
De jaren onder Mao
De eerste decennia van de Volksrepubliek waren ingrijpend en vaak rampzalig. De Grote Sprong Voorwaarts aan het eind van de jaren vijftig, een poging om het land in één klap te industrialiseren en de landbouw te collectiviseren, leidde tot een hongersnood die miljoenen levens kostte. De Culturele Revolutie, vanaf 1966, richtte zich tegen alles wat oud, religieus of intellectueel was. Tempels en kloosters werden beschadigd of gesloten, geleerden vervolgd, en een hele generatie zag haar opleiding onderbroken. In de Tibetaanse gebieden en bij religieuze minderheden zijn de littekens daarvan nog voelbaar.
Hervorming en groei

Na Mao’s dood in 1976 sloeg het beleid om. Onder Deng Xiaoping begon vanaf 1978 een reeks hervormingen die markt en privé-initiatief toelieten binnen een staat die politiek in handen van de partij bleef. Het resultaat was een economische groei zonder weerga: honderden miljoenen mensen klommen uit de armoede, en steden groeiden in een paar decennia van laagbouw naar skylines. Die groei verliep ongelijk. De oostelijke kuststeden profiteerden het eerst en het meest, terwijl het westen en het platteland achterbleven, wat een aanhoudende trek van arbeidsmigranten naar de steden op gang bracht.
Voor de overlandreiziger is die tweedeling overal zichtbaar. In de westelijke provincies staan glanzende nieuwe stations en woonblokken naast gebieden waar het leven nog grotendeels traditioneel verloopt. De staat investeert er bewust in infrastructuur, deels uit economische logica, deels om greep te houden op de grensregio’s.
Het land als bouwput

Niets typeert het moderne China zo zeer als de permanente bouwput. Hele wijken verschijnen in enkele jaren, hogesnelheidslijnen doorsnijden het land, en projecten van enorme schaal worden in recordtempo uitgevoerd. De spoorlijn naar Lhasa, geopend in 2006 en deels over bevroren bodem op grote hoogte aangelegd, is daar een voorbeeld van: een staaltje techniek dat tegelijk de afgelegen Tibetaanse hoofdstad steviger aan het kerngebied bindt. Diezelfde drang naar groei en beheersing verklaart ook de Drieklovendam in de Jangtsekiang, waarvoor hele steden onder water verdwenen.
Wie door China reist, beweegt zich door een land dat zichzelf voortdurend opnieuw bouwt, sneller dan de kaart kan bijhouden. De rust van een afgelegen klooster en het geraas van een betoncentrale liggen er vaak maar een dagreis uit elkaar.
In hetzelfde land kan een klooster eeuwenlang stil hebben gestaan terwijl de stad ernaast in tien jaar tweemaal is afgebroken en opnieuw opgetrokken.