Omringd door steile bergen ligt het slaperige Langmusi, een Tibetaans dorp op de grens van Gansu en Sichuan, met een klooster en beekjes vol bergwater langs de stoffige straten. Relaxed is het er niet, mede doordat het een hotspot voor Franse rugzakkers blijkt. In het Michael Hotel kunnen we voor 20 RMB op een slaapzaal, maar de toiletten zonder afscheiding en vol achtergelaten hopen gaan ons te ver; aan de overkant krijgen we voor dezelfde prijs een eigen kamer met een schoon toilet.
Baden met de locals
In de omgeving zijn warmwaterbronnen, en via via regelen we voor 150 RMB een busje met chauffeur, dat we delen met twee Australiërs. Twee uur over zandwegen langs kale bergen brengt ons bij een afgelegen kloof met zwavelbronnen, in een klein Tibetaans dorp, deels overdekt en gemetseld tot openbare badhuizen, waar we baden met de locals, mannen en vrouwen gescheiden. Bij het vertrek willen de jongens uit de buurt 5 RMB per persoon voor het gebruik. Of we worden opgelicht of echt moeten betalen, blijft onduidelijk, maar als onze chauffeur in een lastige situatie dreigt te komen, betalen we met tegenzin; niet om het geld, wel om het principe en de eeuwige onduidelijkheid.
De luchtbegrafenis
In dit gebied vinden nog sky-burials plaats, de Tibetaanse manier om de doden te “begraven”.
Bij gebrek aan brandhout en met een te harde grond wordt de overledene door een lama in stukken gesneden en aan de gieren gevoerd.
In westerse ogen barbaars en smerig, maar gezien de omstandigheden hier de beste oplossing.