Central Otago: goudvelden, een rail trail en een fietspad zonder brugdek

Published: Updated: 0 comments

Nieuwjaarsdag begint met een lange afdaling over grind naar Omarama, weg van de lupinen waar we de jaarwisseling doorbrachten. Onderweg spreken we een paar mountainbikende kiwi’s die onder de indruk zijn van onze volgeladen fietsen, en helemaal als we vertellen dat we alles zelf bij ons hebben, inclusief een pak wijn van drie liter.

Langs weg 83 ligt een vrijliggend fietspad dat om Lake Benmore kronkelt. Achter de pas wacht een krachtige tegenwind die bij de afdaling naar Lake Aviemore alleen maar aanwakkert. Dit is het drukste meer tot nu toe, en dat komt door de manier waarop de kiwi’s hun zomer doorbrengen: de oevers staan bijna volledig vol met informele campings van de gemeente. Geen holiday parks, maar tijdelijke terreinen voor zes weken vakantie. Iedereen die we de afgelopen dagen met boot en jetski hebben zien langsrijden, staat hier.

Het meer lijkt wel een oceaan, met dikke witte golven en een luidruchtige branding.

Langs de weg hupt een groep dieren die we eerst voor kangoeroes aanzien en die wallaby’s blijken: een Australische soort die hier ooit is uitgezet en zich in groeiende aantallen door dit gebied verspreidt. Ze liggen ook geregeld dood in de berm, met een rottingslucht die we uit Australië kennen. Een dag later ontmoeten we op de klim naar Danseys Pass een schapenboer uit Clyde die er precies andersom naar kijkt: op zijn land zijn geen wallaby’s, en dat wil hij graag zo houden, want ze eten het gras voor zijn schapen op.

De rail trail en de kant van het georganiseerde fietsen

De doorsteek naar Danseys Pass begint bij Duntroon, waar we de hoofdweg verlaten. Het dal wordt smaller en kaler naarmate we klimmen, met steenhellingen vol schapen aan weerszijden. De laatste drie kilometer naar de top van bijna duizend meter leggen we lopend af, de fiets duwend over los grind. Op deze wegen snap je waarom een fiets hier een push bike heet.

Wat opvalt is hoeveel kiwi’s hier fietsen, en hoe. Ze rijden de Alps 2 Ocean en de Otago Central Rail Trail massaal, maar georganiseerd: zonder bagage, die wordt vooruitgestuurd naar het volgende hotel. Langs de rail trail staan cafés, restaurants en hotels op precies de goede afstanden. Wij zijn met onze tassen de uitzondering, en dat levert onderweg elke dag hetzelfde gesprek op.

De dag naar Ranfurly laat zien waarom die bagagedienst zo populair is. Het regent al voor we opstaan, er staat een stevige tegenwind, en de grindweg ligt zo vol water dat we nauwelijks vooruitkomen: rijden over vochtig grind is als rijden over kauwgom. Dertig kilometer ploeteren we door de oude goudvelden, bezaaid met roestige resten en bordjes, tot we in Kokonga de Otago Central Rail Trail oppikken. In een informatiehokje bij een oud stationnetje drinken we koffie tot we weer warm zijn, en het hokje loopt vol met fietsers die hetzelfde doen. In Ranfurly geven we het op en huren een cabine, die we delen met twee Zwitsers die met ons meeschuilden, Ben en Ann.

De volgende ochtend is de grond bevroren en ligt er wit ijs op de bomen, de koudste nacht van de reis. Daarna volgt de beste fietsdag in dagen. De rail trail loopt op het talud van de negentiende-eeuwse spoorlijn die tijdens de goudkoorts werd aangelegd, dwars door een droog, stenig landschap dat vanaf de weg saai oogt en vanaf het talud niet. Na twintig kilometer klimmen volgt veertig kilometer geleidelijke afdaling met de wind mee, door tunnels, over bruggen, door kloven. In Alexandra slaan we in bij de New World, maar blijven er niet: de stad zit vol backpackers. We zoeken een plek aan het water tussen Clyde en Alexandra.

Daar leren we iets over de rivier. De Clutha stijgt en zakt zichtbaar terwijl we er kamperen, omdat de stuwdam stroomopwaarts als batterij wordt ingezet: bij de ochtend- en avondpiek gaat er extra water door. Een vissende familie stelt ons gerust. Vrij kamperen vindt hier niemand vreemd; het liefst doen ze het zelf.

Een brug zonder brugdek

Het fietspad langs de rivier is nog niet af. Je kunt vanuit Alexandra de kloof in rijden, maar dan houdt het op en moet je een boot nemen voor de twaalf kilometer tot waar het pad weer begint. Dat kost per persoon ongeveer evenveel als drie nachten kamperen.

Alsof je met veel tamtam een brug opent, maar er wel geld voor vraagt omdat je het brugdek vergeten bent.

Daar doen we niet aan mee, dus volgen we vijfentwintig kilometer een drukkere weg dan verwacht: korte, steile klimmetjes tegen een brullende tegenwind, met vrachtverkeer erlangs. Tegenwind, klimmetjes en verkeer is de slechtste combinatie die er is. Na tweeënhalf uur zien we het fietspad beneden ons liggen, klimmen over het hek, steken de weilanden over en rijden verder over wat wel degelijk een prachtige route is: een bruin pad dat langs de kale hellingen van het donkerblauwe stuwmeer omhoog en omlaag kronkelt, zonder auto’s en zonder andere fietsers.

Voorbij de Roxburgh-dam gaat het over in de Clutha Gold Trail en verandert het landschap van dorre steenwoestijn in een rivierdal vol wilgen. Bij Pinders Pond, een klein meer waar je vrij mag kamperen, staat maar één ding tussen ons en de stilte: een generator die dag en nacht doorloopt om gras te irrigeren dat er niet is. We zetten hem ’s avonds uit, en binnen het uur staat er iemand met een jerrycan om hem weer te starten, zichtbaar geërgerd over onze bemoeienis.

Wat er over is van het goud en het bos

Het pad langs de Clutha naar het zuiden is vlak, en voor het eerst in dagen staan er bomen. In Millers Flat raken we aan de praat met een man die ons vraagt de groeten te doen aan de vrouw van het hotel in Beaumont, dertig kilometer verderop. Bij de buurtsuper wordt ons verteld dat dit stuk het mooiste van heel Nieuw-Zeeland is.

Het dal wordt smaller waar ooit goudzoekers hun geluk kwamen halen, en van die tijd is bijna niets over: wat roestige resten, een enkel bordje. Wat je wél overal ziet, is wat er met het bos is gebeurd. Op een paar plekken na is het oorspronkelijke woud gekapt. Wat er nu staat is productiebos, rijen den voor de houtindustrie, en voor de rest is het grasland, overbegraasd door schapen en in toenemende mate door koeien in kuddes die groter lijken dan het land aankan. Het water in de rivier is er zichtbaar troebeler van. Van alle tegenvallers tot nu toe is dit de grootste: we hadden op meer oorspronkelijke natuur gerekend.

In Beaumont, dat uit weinig meer bestaat dan een hotel uit de goudkoortstijd, eten we lamsburgers. Een kiwi-familie kijkt verbaasd naar onze drie volle flessen en de waterzak van tweeënhalve liter: je kunt hier toch gewoon uit de rivier drinken? Als we opmerken dat er stroomopwaarts nogal wat mensen en dieren langs die rivier wonen, stuit dat op onbegrip. Voorbij het dorp rijden we door een van de weinige stukken oorspronkelijk bos van de dag, waar duiven roepen in het vochtige groen. Daarna is het weer boerenland tot vijftien kilometer boven Balclutha, waar een pad over een schapenweide naar een beschutte plek aan de rivier leidt.

Deze etappe volgt op het Mackenzie Basin en Aoraki; de hele reis staat dag voor dag in het reisoverzicht van Nieuw-Zeeland.

Verhaal uitgelezen? Een kleine bijdrage helpt de verhalen op weg te houden.





Advertentie

Praktische informatie

De Otago Central Rail Trail: honderdtweeënvijftig kilometer van Clyde naar Middlemarch over het talud van de spoorlijn uit de goudkoortstijd, met tunnels, viaducten en oude stationnetjes. Het is de oudste van de Great Rides en daardoor het best voorzien: cafés, hotels en bagagevervoer op vrijwel elke etappe. Vlak, verhard grind, geschikt voor elke fiets. Wie met eigen bagage rijdt is er de uitzondering, maar niets houdt je tegen.

De onderbreking bij Roxburgh: de Roxburgh Gorge Trail heeft nog altijd een gat van dertien kilometer tussen Doctors Point en Shingle Creek waar geen pad ligt en je een jetboottransfer moet nemen. Dat was in 2016 zo en het is het tien jaar later nog steeds; de afbouw staat gepland voor eind 2026 of begin 2027, waarna het traject Alexandra-Roxburgh vierendertig kilometer aaneengesloten wordt. Wie de boot overslaat, zoals wij, zit vast aan vijfentwintig kilometer doorgaande weg met vrachtverkeer. Reken die kosten liever in je begroting in dan in je benen.

Danseys Pass: de doorsteek van Duntroon naar Central Otago gaat over onverharde weg naar bijna duizend meter, met de laatste kilometers op los grind. Er rijdt vakantieverkeer overheen dat op het wasbord slecht kan remmen, dus houd rekening met uitwijken. Onderaan de pas ligt een gratis DOC-terrein.

Slapen: rond Lake Benmore en Lake Aviemore staan in de zomer tijdelijke gemeentecampings met een eenvoudig tarief, druk maar goedkoop en met veel kiwi’s. Vrij kamperen langs de Clutha is gebruikelijk; kamp hoog genoeg boven de waterlijn, want de rivier stijgt en zakt met de stuwdam mee. In Alexandra en Ranfurly zijn holiday parks met cabines, wat op een regendag het verschil maakt.

Water: het oppervlaktewater is hier vaak helder maar niet altijd veilig. In gebieden met veel vee, en dat is in Otago het grootste deel, is koken of filteren verstandig, ook als de lokale bevolking er anders over denkt.

Plan je reis

Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.

Foto’s uit Nieuw-Zeeland

Meer foto’s uit Nieuw-Zeeland ›

Waar dit verhaal ligt

Plan je eigen reis door Nieuw-Zeeland

De reisgids bundelt alle praktische artikelen: vervoer, overnachten, geld en de beste routes.

Naar de reisgids Nieuw-Zeeland ›
DelenWhatsAppE-mailFacebook
Advertentie
Jeroen Kleiberg

Jeroen Kleiberg

I like to explore some more

Nieuwe verhalen in je mail

Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.

Waardeer je dit blog?

Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.





Laat een bericht achter


Meer inspiratie