De vorige avond stap ik op Schiphol nog in glazen liften. Nu sta ik met Mette op de luchthaven van Banjul, waar de banden na nog geen zes uur vliegen met TUI over het asfalt zijn gerold en de aankomsthal vrijwel leeg is. We betalen twintig euro per persoon luchthavenbelasting. Ik krijg een stempel voor dertig dagen, Mette niet, maar een douanier schrijft zijn telefoonnummer op een briefje en verzekert ons dat het geen probleem is. Onze fietsdozen komen ongeschonden binnen; luchthavenpersoneel helpt ze weer tot fietsen om te bouwen, tegen een fooi in euro’s.
De pinautomaat op de luchthaven doet het niet. Dat blijkt geen incident: Gambiaanse automaten krijgen geregeld geen verbinding met de internationale netwerken, en wie hier reist valt terug op de contante voorraad, voor een economie die nog grotendeels op papiergeld draait. We hebben zevenhonderd euro per persoon achter de hand.
Aankomst en de kustzone rond Banjul

De rit naar ons onderkomen voert twintig kilometer over de hoofdweg. Gambia is een merkwaardig land om binnen te fietsen: een smalle strook land langs de Gambia-rivier, aan drie kanten omsloten door Senegal. De grens is negentiende-eeuws Brits werk, getrokken langs de bevaarbare rivier die Londen als handelsroute naar het binnenland wilde beheersen terwijl Frankrijk de omliggende streek in handen had. Waar we de hoofdweg verlaten, houdt het asfalt op en beginnen de zandwegen met kuilen, de overgang van de formele weg naar de woonwijken erachter. Bij Dabo House, met douche en zwembad, spreken we af dat de fietsdozen er tot de terugvlucht mogen blijven staan. Vlakbij wisselen we vijftig euro voor 4.200 Gambiaanse dalasi. De thermometer wijst vierentwintig graden.

De volgende dag hebben we uitgeslapen, bijna twaalf uur, en gaan we op zoek naar geld. We stoppen bij elke pinautomaat die we tegenkomen; er zijn er weinig en geen enkele werkt. Wat opvalt is de stilte. Gambia leeft van toeristen tussen november en april, en we zitten er middenin, maar op straat is er nauwelijks iets van te merken. De ondernemers die we spreken bevestigen dat het dit jaar ongewoon rustig is, zonder dat iemand er een verklaring voor heeft.
Bij Bijilo Forest Park betalen we 300 dalasi per persoon. Aan de poort krijgen we te horen dat we pinda’s of bananen moeten kopen, anders zouden de apen geen melk voor hun jongen kunnen maken, en dat een gids verplicht is omdat het park zonder gevaarlijk zou zijn. We slaan beide beleefd af en lopen zelf naar binnen. In het bos van zo’n vijftig hectare, dat direct aan de kust ligt, zien we binnen enkele minuten roodbruine patasapen en groene meerkatten. Dicht bij de ingang voeren toeristen ze; een paar honderd meter verder is er geen mens meer te zien.
Terug op de fiets rijden we langs de strip, de aaneengesloten reeks hotels en restaurants die de Gambiaanse kust al decennia tot toeristenzone maakt. Veel kamers staan leeg. Op een terras eten we kip, tussen Nederlanders die volledig opgaan in Ajax-Feyenoord op het televisiescherm. Bij Cape Point, waar de rivier de oceaan raakt, vertrekt de veerboot die de noord- en zuidoever verbindt, de onmisbare schakel in een land dat door zijn eigen rivier in tweeën ligt. Mette wordt binnen de kortste keren sister genoemd. Iemand merkt op dat ik sterk op de zanger van Coldplay lijk. Ik vat het niet als compliment op.
Zuidwaarts naar de Allahein

De derde dag beginnen de echte fietskilometers. We rijden zuidwaarts langs de kust, voorbij Kololi en Kotu, dan Gunjur en Sanyang, en het verkeer wordt geleidelijk dunner. De lucht ruikt naar brandend plastic en stof. Gieren cirkelen in de thermiek boven een berm vol schroot en geïmproviseerde werkplaatsen waar mannen aan verweerde motoren sleutelen. Na Gunjur wordt het groener en leger; borden wijzen naar ecolodges, een sector die zich in dit stille grensgebied rond de rijke vogelstand heeft ontwikkeld. De wind staat de hele dag in de rug.
Vlak voor Kartong stoppen we bij de Gambia Reptile Farm, waar krokodillen, slangen en schildpadden die te dicht bij mensen kwamen tijdelijk worden opgevangen om later te worden vrijgelaten. Er zitten ook zeer giftige exemplaren: pofadders en spuwcobra’s. We krijgen een rondleiding van Sukeh, een opgewekte vrouw die vertelt dat ze een vriend in Nederland heeft. Ze zijn naar eigen zeggen erg verliefd.
We fietsen door naar de Allahein, de grensrivier, waar we bij een eettentje gegrilde vis en kreeft eten met uitzicht op gekleurde vissersboten en dobberende pelikanen. Over een zandweg langs zandbanken en mangroven, de oevervegetatie die de grond vasthoudt en dienst doet als kraamkamer voor de lokale visstand, bereiken we Kurumbo Lodge. De lodge ligt afgelegen en wordt gerund door Ria, een Nederlandse die hier bijna twaalf jaar zit. Ze begon eraan toen ze al negenenzestig was, omdat het klimaat haar reuma goed deed, en woont er nu, bijna tweeëntachtig, alleen. Hoelang ze dit nog volhoudt, zo ver van de zorg die ze in Nederland zou hebben, is een vraag die je hier niet hardop stelt.
’s Ochtends gaan we met een boot de rivier op. Onze kapitein Omar heeft een verrassend zware stem. West-Afrikaanse nijlkrokodillen liggen op de zandbanken in de zon, met daarboven reigers in wit, zilver en donker; naar zee toe drijven de pelikanen. Op de wortels van de mangroven groeien oesters, en in het water staan vrouwen ze los te breken, iets wat hier al generaties gebeurt. In het zand langs de mangroven vind ik het spoor van een baviaan. Ik hoop er een te zien, maar het blijft bij een paar vrouwen met zware stapels hout op hun hoofd, die vragen of ik Omar de groeten wil doen.
De grens over bij Darsilami
Wie hier maar kort het land in wil, steekt de rivier over met een bootje en staat na vijftien kilometer in Abené. Wij hebben een officiële inreisstempel nodig en moeten via een formele grenspost, sinds kort mogelijk bij Darsilami, wat ons de omweg langs de drukke wegen bij Brikama bespaart. De laatste kilometers gaan over los zand en door het droge bed van de grensrivier; overal staan palmen, langs de oevers wordt rijst verbouwd. Het wordt de meest ontspannen grensovergang van de reis. Drie Gambiaanse grenswachten vinden het zichtbaar leuk dat we verschijnen en strooien met complimenten: handsome, very healthy, strong looking. Vingerafdrukken, een foto, een uitreisstempel, opvallend modern allemaal. Ik krijg het telefoonnummer van een van hen, alweer de tweede grenswacht deze reis.
Twee kilometer verder ligt de Senegalese post. Kinderen rennen mee en roepen toubab, de West-Afrikaanse term voor een blanke; anderen houden het op bonjour en ça va. Na het Engelstalige Gambia zijn we in Franstalig Senegal.
Waar in Gambia alles digitaal ging, worden onze gegevens hier met de hand genoteerd in een groot schrift.
Aan de Senegalese kant rijden we over een rode, stoffige gravelweg. Auto’s zien we nauwelijks, wel fietsers, brommers en voetgangers, en langs de weg baobabs en palmen. Veel voertuigen hebben grote piepschuimen kisten vol vis achterop: de kustvisserij is hier een van de voornaamste inkomstenbronnen. We komen weinig tegen, en dat komt goed uit, want we hebben nog geen CFA-frank op zak. Pinnen kan niet; de kaartinfrastructuur in de Casamance reikt niet buiten de grotere steden.
Na zestien kilometer asfalt bereiken we Abené, een van de drukkere toeristenplekken van de Casamance: veel blanke bezoekers, een levendige straat met winkeltjes en cafés. We vinden een kamer met een streepje zeezicht voor 15.000 CFA-frank, zo’n 23 euro. Voor geld regelt men via-via een wisselaar, die verschijnt met een plastic tas vol biljetten; voor tweehonderd euro krijgen we ongeveer 130.000 frank, grotendeels in coupures van 2.000. Het campement is in buitenlandse handen, het restaurant waar we ’s avonds eten ook. In de Casamance is dat eerder regel dan uitzondering.
Praktische informatie
Route en afstand: de eerste etappes lopen van Banjul zuidwaarts langs de Gambiaanse kust (Kololi, Kotu, Gunjur, Sanyang) naar Kartong en de Allahein, en via de grenspost bij Darsilami naar Abené. De wegen zijn deels geasfalteerd, deels los zand; de laatste kilometers naar Darsilami gaan door een droog rivierbed.
Grens Gambia–Senegal: Nederlanders reizen beide landen visumvrij in. Voor een langer verblijf is een stempel bij een formele grenspost nodig; de post bij Darsilami bespaart de omweg via Brikama. Aan Gambiaanse kant gaat de registratie digitaal, aan Senegalese kant met de hand.
Geld: neem voldoende contant geld mee. Gambiaanse pinautomaten werken vaak niet en rekenen soms hoge commissie; in de Casamance reikt de kaartinfrastructuur niet buiten de steden. Gambia rekent in dalasi, Senegal in de aan de euro gekoppelde CFA-frank (ruwweg 655 frank per euro). Wisselen kan bij aankomst en, in Abené, via een lokale geldwisselaar.
Slapen: aan de Allahein ligt Kurumbo Lodge, afgelegen tussen mangroven en vogels. In Abené is het aanbod aan campementen ruim, veelal in Europese handen.
Beste tijd: het droge seizoen, november tot en met februari. Ook dan kan het rond het middaguur snel warm worden; vroeg vertrekken loont.
Plan je reis
- Overnachten in Gambia: vergelijk accommodaties ›
- Trein- en bustickets in Gambia: bekijk routes op 12Go ›
- Activiteiten en excursies in Gambia: bekijk op GetYourGuide ›
Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.
Meer uit deze reis
Terug naar Banjul: kreken, oesters en het afscheid van Gambia11 januari 2026
Terug in Gambia: checkpoints, chimpansees en de rivier stroomafwaarts5 januari 2026
Kartong–Abené: het schrift aan de grens17 december 2025Plan je eigen reis door Gambia
De reisgids bundelt alle praktische artikelen: vervoer, overnachten, geld en de beste routes.
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.