In de bus naar Trabzon raken we aan de praat met een jonge leraar Engels, die gaandeweg een fanatiek moslim blijkt. Hij praat alleen over het verleden en over wie er allemaal schuldig zijn, en is niet vatbaar voor een iets positievere kijk op het leven. Hij praat liever over dood en ellende; ieder zijn hobby. Verderop in de bus zit een Koerdische familie van een man of tien: de moeder geheel in het zwart, de twee dochters in spijkerbroek en Nikes, maar met een gesluierd gezicht zodra de vader in de buurt is. Stiekem bekijken de meiden ons, en als ik terugkijk draaien de hoofden snel weg; naar Floor lachen ze wel vriendelijk. Pas in Trabzon durft de vader te vragen waar we vandaan komen, en als we Nederland zeggen, laat hij trots foto’s zien van de Nederlandse vlag en van Arjen Robben.
Negen en een half uur
De rit is lang en vermoeiend: in plaats van acht doen we er negen en een half uur over. We rijden driehonderdtwintig kilometer over een zesbaans snelweg langs de Zwarte Zee, dwars door lelijke, van elkaar nauwelijks te onderscheiden betonnen stadjes, met hazelnoten tegen de steeds hogere hellingen. We moeten langs een zwaar auto-ongeluk, waar niet de verongelukte auto’s de weg blokkeren maar de honderden nieuwsgierigen die hun auto midden op de snelweg hebben stilgezet. Tegen het eind duurt het eindeloos, omdat de bus iedereen zo’n beetje voor de eigen voordeur afzet.
We rijden in de regen Trabzon binnen, een subtropische kust waar het water met bakken uit de hemel komt.
Het is al na negenen en we moeten nog een hotel hebben, lastig in een stad waar veel hotels als bordeel fungeren. We nemen uit vermoeidheid een kamer voor veertig lira, die uitkijkt op blinde muren en waar uit de airco een bedompte rioollucht stijgt. ’s Nachts gebruiken duiven de smalle binnenruimte en tikken ze tegen de ramen, die we daarom maar dichthouden.