De tombes blijken ’s ochtends weer dicht, dus klimmen we eerst naar de citadel boven op de klif. Het is een steile, hete tocht, waarop we twee schildpadden tegenkomen. Hoe oud de eerste resten zijn, is onduidelijk, maar bekend is dat een van de Pontische koningen het kasteel vanaf ongeveer driehonderd voor Christus liet bouwen, waarna latere heersers het uitbreidden. Het is bijzonder om rond te lopen op een plek die al duizenden jaren wordt bewoond, met een geweldig uitzicht over het diep beneden liggende Amasya. Als het wat koeler is, lukt het wel: de tombes zijn open, en voor drie lira lopen we langs de enorme graven die uit de loodrechte klif zijn gehouwen. Van dichtbij zijn ze minder indrukwekkend dan van een afstand, vooral door het achterstallige onderhoud en het gescheurde beschermzeil.
Muziek aan het water
’s Avonds belanden we op de stenen trappen aan het water, waar een oudere muzikant de saz bespeelt, een langhalsluit, die hij als de beste beheerst. We raken in gesprek met een familie: een vader, een moeder en hun zoon, plus de zus van de vader met haar man en twee dochters. Ze wachten op hun visa, het ene gezin voor de Verenigde Staten, het andere voor Canada. Twee jaar geleden zijn ze uit Bagdad gevlucht, omdat ze als christenen hun leven niet meer zeker waren.
We worden bij hen thuis uitgenodigd en als bijzondere gasten ontvangen. In de twee jaar dat ze in Amasya wonen, zijn wij de eersten van buiten Irak die ze ontmoeten; met de Turken hebben ze geen contact.
In de twee jaar dat ze hier wonen, zijn wij de eerste niet-Irakezen die ze ontmoeten.
Ze hebben nog geluk, vertellen ze, dat ze genoeg geld hebben om buiten een vluchtelingenkamp te wonen, al kost een appartement vierhonderd dollar per maand en betalen ze per gezin ook nog eens een paar honderd dollar per half jaar om in Turkije te mogen zijn. De UNHCR heeft bepaald dat ze in Amasya moeten blijven en zelfs waar in Canada en de VS ze straks komen te wonen; de aanvraag duurt al zeker twee jaar. In die tijd mogen ze niet werken en kunnen de kinderen niet naar school, terwijl ze allemaal intelligent zijn en niets liever willen: de ene dochter studeerde software-engineering, de andere wil jurist worden, en de zoon zit in de elektronica en speelt graag gitaar. In Bagdad zagen ze dagelijks doden en ontplofte er voortdurend een bom; voor hen was dat normaal geworden. Ze houden de oorlog en de internationale gemeenschap verantwoordelijk voor de puinhoop die hun land is geworden, en vinden dat wie verantwoordelijk is voor de chaos, ook moet helpen de mensen eruit te halen. Het is moeilijk om ze daarin ongelijk te geven. We wisselen e-mailadressen uit en bieden onze gastvrijheid aan, mocht het ze ooit lukken een paspoort te bemachtigen.