De geschiedenis van Tsjechië is, anders dan die van buurland Slowakije, lange tijd de geschiedenis van een eigen staat. Het koninkrijk Bohemen was eeuwenlang een van de machtigste vorstendommen van Midden-Europa, met Praag als hoofdstad en tijdelijk zelfs als zetel van het Heilige Roomse Rijk. Pas in de twintigste eeuw deelde het land zijn lot voluit met de Slowaken.
Bohemen en het Heilige Roomse Rijk
In de negende eeuw lag het huidige Tsjechië in de invloedssfeer van het Groot-Moravische Rijk en kreeg het via de zending van Cyrillus en Methodius het Christendom in Slavische vorm. Daarna kwam de Přemysliden-dynastie op, die het hertogdom en later koninkrijk Bohemen vestigde. Het hoogtepunt viel in de veertiende eeuw onder Karel IV, koning van Bohemen en keizer van het Heilige Roomse Rijk. Hij maakte Praag tot keizerlijke residentie, stichtte er in 1348 de eerste universiteit van Midden-Europa en liet de Karelsbrug en grote delen van de stad bouwen.
In de vijftiende eeuw werd Bohemen het toneel van een vroege religieuze opstand. De hervormer Jan Hus, rector van de Praagse universiteit, keerde zich tegen de macht van de kerk en werd in 1415 als ketter verbrand. Zijn dood ontketende de Hussietenoorlogen, een van de eerste grote religieuze conflicten van Europa, ruim een eeuw vóór de Reformatie.
De Habsburgers
Vanaf 1526 kwam Bohemen onder de Habsburgers. De spanning tussen de overwegend protestantse Boheemse adel en het katholieke Weense hof liep in 1618 uit op de Praagse Defenestratie: opstandelingen wierpen keizerlijke gezanten uit een raam van de Praagse burcht. Daarmee begon de Dertigjarige Oorlog. De nederlaag van de Boheemse standen in de Slag op de Witte Berg (1620) betekende het einde van de Boheemse zelfstandigheid: het land werd hard gerekatholiseerd en de Duitstalige invloed nam toe. Drie eeuwen lang bleef Bohemen een kroonland van de Habsburgse monarchie, in de negentiende eeuw uitgegroeid tot het industriële hart van Oostenrijk-Hongarije.
Tsjechoslowakije en de twintigste eeuw
Na de Eerste Wereldoorlog viel de monarchie uiteen en ontstond in 1918 Tsjechoslowakije, opgericht door Tomáš Masaryk en Edvard Beneš. De nieuwe republiek was tussen de wereldoorlogen een van de weinige stabiele democratieën van Midden-Europa, met een sterke industrie. Het Verdrag van München (1938) leverde de Duitstalige grensgebieden, het Sudetenland, uit aan Nazi-Duitsland; in 1939 bezette Duitsland de rest en vormde het Protectoraat Bohemen en Moravië. Na de oorlog werd de Duitstalige bevolking grotendeels verdreven.
In 1948 grepen de communisten de macht. De Praagse Lente van 1968, een poging tot een socialisme met een menselijk gezicht onder partijleider Alexander Dubček, werd neergeslagen door tanks van het Warschaupact. De normalisatie die volgde, duurde tot het eind van de jaren tachtig.
De Fluwelen Revolutie en daarna
In november 1989 viel het communistische bewind geweldloos. De Fluwelen Revolutie bracht de toneelschrijver en dissident Václav Havel aan de macht. De gemeenschappelijke staat met de Slowaken hield echter geen stand: op 1 januari 1993 splitste Tsjechoslowakije zich in twee onafhankelijke landen, een politieke beslissing zonder volksraadpleging en zonder geweld, de Fluwelen Scheiding.
Tsjechië trad in 2004 toe tot de EU en in 1999 al tot de NAVO. Het land hield vast aan de eigen munt en bleef buiten de eurozone. De politiek bleef bewegelijk: in 2023 werd oud-generaal Petr Pavel tot president gekozen, en na de verkiezingen van oktober 2025 keerde de populist Andrej Babiš terug als premier.
Tsjechië heeft een langer geheugen van eigen staatsvorming dan de meeste van zijn buren. Dat verklaart het zelfbewustzijn waarmee Praag zich presenteert: niet als provinciestad van een groter geheel, maar als hoofdstad die dat ooit van het hele rijk was.