Tsjechië telt ruim tien miljoen inwoners en is etnisch een van de meest homogene landen van Europa. Bijna negentig procent rekent zich tot de Tsjechen. Dat is geen vanzelfsprekendheid maar het gevolg van de twintigste eeuw: het land was tot 1945 veel gemengder dan het nu is. De verschuiving van een veeltalig kroonland naar een mono-etnische republiek is een van de ingrijpendste demografische omwentelingen die het gebied heeft doorgemaakt.
De verdwenen Duitsers
Eeuwenlang woonde langs de randen van Bohemen en Moravië een grote Duitstalige bevolking, de Sudeten-Duitsers, geconcentreerd in de grensbergen tegen Duitsland en Oostenrijk. Voor de Tweede Wereldoorlog ging het om ongeveer drie miljoen mensen, bijna een kwart van de bevolking. Het Verdrag van München (1938) draaide om precies dit gebied. Na de oorlog werden vrijwel alle Sudeten-Duitsers verdreven op grond van de Beneš-decreten. Hele dorpen in het grensgebied raakten ontvolkt en werden opnieuw bevolkt of verlaten. Wie vandaag door de Šumava of het Ertsgebergte reist, ziet de sporen nog: vervallen kerken, lege fundamenten en een opvallend dunne bevolking in streken die ooit dichtbevolkt waren.
Tsjechen, Moraviërs en Slezen
De Tsjechen zelf verdelen zich cultureel langs de oude regio’s: Bohemen (Čechy) in het westen, Moravië (Morava) in het oosten en een klein stuk Silezië (Slezsko) in het noordoosten. Bij volkstellingen geeft een deel van de bevolking in het oosten zich op als Moraviër in plaats van als Tsjech. Het verschil is voor buitenstaanders moeilijk te zien, maar speelt mee in dialect, in folklore en in een zekere rivaliteit tussen Praag en Brno. Moravië is van oudsher landelijker en katholieker dan het sterk geseculariseerde Bohemen, en het is de streek waar de wijnbouw en de levende volksmuziek het sterkst zijn.
De Roma
De grootste zichtbare minderheid zijn de Roma. Officiële cijfers houden het op enkele tienduizenden, maar schattingen lopen op tot enkele honderdduizenden, omdat veel Roma zich bij tellingen als Tsjech opgeven. Veel van de Roma die vandaag in Tsjechië wonen, kwamen na de oorlog uit Slowakije, nadat de oorspronkelijke Boheemse Roma grotendeels waren vermoord in de nazikampen. Ze zijn geconcentreerd in de armere industriesteden van Noord-Bohemen en Noord-Moravië, zoals Ústí nad Labem en Ostrava, waar werkloosheid en gescheiden woonwijken de verhouding met de meerderheid blijven bepalen.
Taal en geloof
Tsjechisch (čeština) is de enige officiële taal, een West-Slavische taal die nauw verwant is aan het Slowaaks en het Pools. Tsjechië is tegelijk een van de minst religieuze landen ter wereld: bij volkstellingen geeft een meerderheid op geen geloof aan te hangen. De rooms-katholieke traditie is nog zichtbaar in de kerken en op het Moravische platteland, maar speelt in het dagelijks leven van de meeste Tsjechen nauwelijks een rol. Dat onderscheidt het land scherp van het katholiekere en kerkser Slowakije en Polen.
De Tsjechische homogeniteit oogt vanzelfsprekend, maar is jong en hardhandig ontstaan. De lege dorpen in de grensbergen zijn er het stille bewijs van.