Het is weer tijd om verder te gaan. Omdat de marsjroetka naar Sighnaghi pas om drie uur ’s middags gaat, kiezen we voor een taxi, die we van zestig naar dertig lari afpingelen. De chauffeur zet een megamix uit 2002 op, met artiesten die volgens mij eerder bij de jaren negentig horen, en naarmate de housebeats harder gaan, rijden ook wij harder: met honderdtwintig per uur scheuren we door de dorpen en veel te hard door de bochten.
Rijden in Georgië is een belevenis, want regels lijken nauwelijks te bestaan. Maximumsnelheden, gordels, een doorgetrokken streep: het lijkt allemaal niet te gelden, en je wordt zelfs uitgelachen als je je gordel omdoet.
Veel auto’s missen een voor- of achterbumper; soms is de hele voorkant weg, want een hek open je hier door er met de auto tegenaan te rijden.
Het Georgische zuinig rijden gaat zo: zo hard mogelijk gaan, dan de motor uitschakelen en de auto laten uitrollen tot je nog maar twintig rijdt, en dan weer inschakelen. Elke chauffeur is ervan overtuigd dat hij de enige goede is. Zonder kleerscheuren komen we aan in Sighnaghi, waar Floor via het informatiecentrum een appartement met ontbijt en avondeten regelt voor vijfendertig lari per persoon. We hebben een riant balkon met vrij uitzicht op het diepe Alazani-dal en de Kaukasus daarachter.
Verder in de serie
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.