Na het zware fietsen op de Balkan gun ik mezelf een dag zonder fiets. Ik wil Tbilisi zien. De stad ken ik van acht jaar geleden, en ik ben benieuwd wat er sindsdien is veranderd. Het is een bewuste rustdag, en tegelijk een kans om de hoofdstad eens te voet te verkennen.
Het begint goed. Bij een kraampje eet ik ’s ochtends een khachapuri, een met kaas gevuld brood, verkocht door een aardig meisje dat me en passant een paar Georgische woorden probeert bij te brengen. Het eten hier is wat mij betreft een reden op zich.

Verval achter de terrassen
Ik loop de oude stad in. Van dichtbij is het verval groter dan het van de terrassen lijkt: onverharde binnenplaatsen vol sloophout, blauwe dekzeilen over kapotte daken, was aan lijnen tussen scheve houten balkons. Hier wonen meerdere gezinnen dicht op elkaar. Een straat verder wordt precies zo’n pand opgeknapt tot hotel.

Op een brede boulevard raast het verkeer voorbij, met een gele marsjroetka ertussen, het deelbusje dat overal in de oud-Sovjetlanden rijdt, en glazen torens op de achtergrond. In de zijstraten zitten groepjes oudere mannen rond stenen tafels, verdiept in backgammon, met de stenen in een kruis en een telraam ernaast. Het is midden op de dag en niemand lijkt haast te hebben.
Een oude vrouw zoekt in een grote vuilnisbak naar iets eetbaars.
Even verderop zit een andere vrouw op de grond tegen een muur, een paar flessen en pakjes tissues voor zich uitgestald om wat te verdienen. Boven haar staat in blauwe verf het woord CRUEL op het pleisterwerk. De toeristen, veel Russen, lopen een paar straten verderop langs de souvenirwinkels. De oudste generatie heeft de opleving gemist, met pensioenen die na de val van de Sovjet-Unie nooit meer iets voorstelden.
De stad is niet alleen verval. Onder de platanen ligt een bloemenmarkt, en op een plein verkoopt een kiosk die in een oude tramwagon is gebouwd khachapuri en gebak, met kvas en Coca-Cola op de gevel en prijzen van een paar tientjes lari. Overal wordt iets gekocht of verkocht, al is het maar een paar sigaretten of een handvol zonnebloempitten.

Omhoog naar Kartlis Deda
Ik loop omhoog naar Kartlis Deda, de Moeder van Georgië, een aluminium vrouw die sinds de Sovjettijd over de stad uitkijkt: een zwaard in de ene hand voor wie als vijand komt, een schaal wijn in de andere voor wie als vriend komt. Boven op de heuvel spelen twee mannen gitaar op een bankje, met de hele stad uitgestrekt achter hen, de daken, de torens en de bergen erachter.
’s Avonds beland ik weer in hetzelfde restaurantdistrict als gisteren. De terrassen zitten vol onder de lampjes. De Vredesbrug ligt verlicht over de rivier en op de heuvel staat de eeuwenoude vesting Narikala oranje uitgelicht, met de oude stad eronder in gekleurd licht. Het is een mooie stad om naar te kijken, maar wat me vandaag het meest is bijgebleven is niet de brug of de vesting, maar de vrouw bij de vuilnisbak. Morgen stap ik weer op de fiets, richting Armenië.
Verder in de serie
‹ Vorige aflevering1. Aankomst in Tbilisi23 april 2018
Volgende aflevering ›3. Over de grens, Armenië in25 april 2018Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.