We nemen afscheid van de familie in Ushguli, die ons “good people” noemt; dat vatten we maar op als compliment. Deze keer rijdt een zesentwintig jaar oude Russische jeep ons terug, met meer beenruimte maar verder weinig comfort. Het duurt ruim een minuut om de motor te starten, en bij elke afdaling gaat hij uit om brandstof te sparen, dus de kunst is hem op tijd weer aan te laten slaan, anders halen we de top van de heuvel niet. Na tweeënhalf uur knokken en schudden zijn we terug in Mestia, waar Nino kamers voor ons heeft vastgehouden en bevestigt dat we morgen de vlucht naar Tbilisi hebben.
’s Avonds strompelt onze Amerikaanse vriend Michael het guesthouse binnen, onder de schaafwonden. Zijn wandeling terug liep anders: hij haalde de eerste dag geen dorp, liep door in het donker en gleed bij het oversteken van een rivier uit, waarna hij met al zijn spullen kopje-onder ging. Vandaag heeft hij twaalf uur gelopen en moeten liften om op tijd terug te zijn. We zijn weer met z’n vieren en sluiten ons Svaneti-avontuur af met een klein feestje. Matthew, aardrijkskundeleraar uit Wales, loopt honderdtien kilometer per week en deed de klim bij Ushguli in anderhalf uur, waar de locals er drie over doen.
Het vliegveld van Mestia
De landingsbaan is een stoffige grasvlakte die een paar dagen geleden nog door zes mannen met de zeis werd gemaaid. Er staan zeven Kamaz-trucks, sommige met de tandwielen eruit voor groot onderhoud, en een houten keet. Binnen zit een man met een pet aan een tafel; onze paspoorten worden genoteerd en na honderd lari per persoon, ruim veertig euro, staan we op de lijst. Zo gratis is deze door de overheid gesubsidieerde “gratis” vlucht dus niet, en waar dat geld heen gaat weet niemand.
In de keet zijn intussen een paar Kamaz-chauffeurs neergestreken, en we moeten mee aan het bier; zelfs Floor ontkomt er niet aan. Na twee tweeliterflessen komt de fles chacha op tafel, de Georgische brandewijn. Het is nog geen twaalf uur en we zijn al aardig aangeschoten als ons toestel landt.
Laag door de Kaukasus
Het vliegtuig is van Russische makelij, minstens veertig jaar oud, met tien zijwaarts geplaatste stoelen, één propellor op de neus en een dubbele vleugel. We delen het met een kind op een brancard dat naar het ziekenhuis in Tbilisi moet; dit toestel is ook de ambulance van de vallei. Gordels zijn bij het opstijgen niet nodig: we snellen over het gras en zitten in de lucht.
We vliegen laag over Mestia, zien de torens en de rivier verdwijnen en draaien het dal richting Ushguli in. De lucht is onbewolkt, en links liggen alle besneeuwde toppen en gletsjers waar we de afgelopen week tussen liepen, nu vanuit een veel indrukwekkender perspectief. Naast me laat iemand op zijn gps zien dat we om Zuid-Ossetië heen vliegen.
Naast me laat iemand op zijn gps zien dat we om Zuid-Ossetië heen vliegen, omdat we daar uit de lucht geschoten zouden kunnen worden.
De bergen gaan over in beboste heuvels en dan in een glooiend land vol akkers, waar we niet hoger dan honderd meter overheen scheren. Net als we ons afvragen waar Tbilisi blijft, staan we plotseling tussen de velden, vijfentwintig kilometer buiten de stad. Een vader en zijn dochter, die in het nationale skiteam van Georgië zit, geven ons een lift in een hippe Audi over brede nieuwe snelwegen. Ze zetten ons af in het centrum, waar het in de schaduw negenendertig graden is.
Verder in de serie
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.