Golden Bay: het noordpunt, de laatste stranddagen en 3.400 kilometer

Published: Updated: 0 comments

De camping in Tapawera is een van de weinige kleinschalige, charmante plekken van de hele reis, en dat zegt na twee maanden iets over hoe kamperen in dit land werkt. De DOC-campings zijn op zich prima, maar in het hoogseizoen zo vol dat er van natuur weinig overblijft. De grote motorcamps zijn schoon, modern en steriel: goede voorzieningen, geen sfeer. Hier lopen de Engelse eigenaren met ons mee om alles te laten zien, staat geen enkele camper met een klepperende schuifdeur, en kunnen we voor de tweede keer in twee maanden buiten zitten zonder insecten.

Vanaf Tapawera volgen we de Tasman Taste Trail, een rustiger alternatief voor de hoofdweg. Grote delen ervan worden al tien jaar beloofd maar komen niet van de grond: het pad zou over boerenland moeten lopen, en de boeren in de streek hebben genoeg gewicht om dat op hun grond tegen te houden. Rond Motueka is alles fruit. Appels, peren en vooral kiwi’s, de vrucht die het land zijn bijnaam gaf en die we hier voor het eerst echt zien staan. Dat fruit trekt zijn eigen bevolking aan: in de supermarkt van Motueka is de meerderheid van de klanten Duitse backpacker met een plukbaantje.

Onderweg worden we belaagd door honderden vliegjes die we voor zandvliegen aanzien; het blijken midges, minder venijnig en hier vooral het signaal dat er regen aankomt. Binnen enkele minuten valt die ook. Al die moeite om van de natte westkust naar de zon te fietsen, en de regen komt gewoon achter ons aan.

Waar geen vierkante meter meer vrij is

Kaiteriteri is een toeristisch centrum pur sang. Naar verluidt het mooiste strand van Nieuw-Zeeland, met auto’s op het zand en een megacamping die tot aan het water doorloopt. Wie hier in het hoogseizoen aankomt zonder plan heeft een probleem: vrijkamperen kan niet, en de terreinen aan zee zijn het duurst en het eerst vol.

Elk vlak en droog stukje grond is hier al bebouwd.

Om bij het noordelijkste puntje van het Zuidereiland te komen moet je over de Takaka Hill: 791 meter, vanaf zeeniveau, en de enige weg die de Golden Bay met de rest van het eiland verbindt. Dat laatste maakt hem zwaarder dan de hoogte doet vermoeden, want alles wat de bay in of uit moet, rijdt hier langs: vrachtwagens, campers, huurauto’s. De eerste kilometers naar vijfhonderd meter zijn het steilst, daarna klimmen we over twintig kilometer nog eens driehonderd. Ergens onderweg rijden we de wolken in en op de top zitten we er middenin. Van het panorama over de Golden Bay dat hier zou moeten liggen, zien we niets. Wel is het koel, wat na weken zweten meetelt.

Aan de andere kant van de berg staat een camping die voor klimmers is bedoeld, maar fietsers die net een berg over zijn mogen erbij. Klimmers zijn “just the nicest people”, verzekeren de buren ons, precies wat wij van fietsers vinden. Bijna geen zandvliegen, bijna geen muggen: op zulke avonden is Nieuw-Zeeland op zijn best.

Een plek aan het water, en wie hem krijgt

In Collingwood leren we waar een fietser met een tentje in de rangorde staat. De plekken aan het water zijn gereserveerd voor motorhomes die pas later op de dag arriveren; wij krijgen een stoffig vierkant zonder uitzicht, voor hetzelfde tarief. Neem je in plaats daarvan een leeg hoekje verderop, dan staat de beheerster er meteen bij: dit is geen freecamping-plek, en als de eigenaar er was geweest hadden we allang buiten gestaan. Een klein tentje wordt hier gewoon verdrongen door een grote camper.

Daar komt bij dat Floors benen het niet meer doen; fietsen lukt niet, ook niet zonder bagage over vlak terrein. Twaalf kilometer noordelijker, bij Pakawau, komt op een camping net een plaats aan het water vrij, en die laat ik vasthouden. Blijft de vraag hoe we daar komen met twee fietsen en één paar werkende benen. Die wordt beantwoord door een Canadees echtpaar dat drie dagen eerder zelf met de eigen fietstocht is gestopt vanwege een kapotte knie: ze bieden aan Floor met fiets en al te rijden.

In Pakawau klotst het water bijna tegen de tentharing. De baai is blauw, de lucht strak, en bij eb trekt de zee honderden meters terug en laat grote schelpen en zeesterren op het droge zand achter. Op deze camping staan vooral kiwi’s; de buitenlandse toeristen blijken Collingwood te verkiezen.

Het noordpunt en de laatste dagen

Wharariki Beach is het mooiste strand dat ik in Nieuw-Zeeland heb gezien: breed wit poederzand, rotsen, kliffen, grotten en laag struikgewas aan de landzijde. In de rotspoeltjes badderen dieren die we eerst voor zeehonden aanzien en die zeeleeuwen blijken; het verschil zit in de oren, bij zeehonden verborgen, bij zeeleeuwen twee kleine puntjes. Er zwemmen jongen tussen de volwassen dieren door, op een paar meter afstand, zonder zich iets van mensen aan te trekken. Dat zeg ik bewust, want het is hier druk: een gravelweg en een tip van een local ten spijt lopen er twintig, dertig mensen rond op wat toch een afgelegen strand hoort te zijn.

Verderop loop ik een stuk van Farewell Spit, de zevenentwintig kilometer lange zandbank die de noordgrens van de Golden Bay vormt. Alleen de eerste kilometers zijn toegankelijk, de rest is beschermd vogelgebied. Eerst langs het strand van de baai, dan door een duingebied dat aanvoelt als woestijn: de ene duin na de andere, verlaten op een paar voetstappen na. Aan de oceaankant is het water blauwer en staan er meer golven, en ergens ver achter de horizon ligt Australië.

De laatste dagen bij Pakawau gaan op aan zwemmen, lezen en kijken. Op de camping raken we aan de praat met kiwi’s die gemengde gevoelens hebben over de toeristenstroom in hun land. Freecamping is hier van oudsher een nationale bezigheid, maar staat onder druk doordat buitenlandse bezoekers hun afval laten liggen; een kiwi zou nooit iets achterlaten, zeggen ze. De goedkope DOC-campings, bedoeld voor rust, worden overspoeld door backpackers, waardoor kiwi’s ze zelf steeds minder gebruiken. Na tien uur ’s avonds is het op een kiwi-camping doorgaans muisstil, en dat is niet toevallig.

Op een ochtend cirkelt er iets in het water voor de kust. Een dolfijn, roept Floor, nee een walvis, nee een orka. Even later klimt er een duiker met flippers uit.

Terug, en de balans

De terugreis begint met veertig kilometer naar Takaka, de opkomende zon links van ons en het water van de baai oranje. In Collingwood, tegenwoordig tweehonderdvijftig inwoners, kopen we koekjes; het dorp werd tijdens een negentiende-eeuwse goudkoorts ooit genoemd als kandidaat-hoofdstad van Nieuw-Zeeland, tot het goud tegenviel en de eer naar Wellington ging. In Takaka, waar blote voeten en dreadlocks het straatbeeld bepalen, vieren we op een terras met koffie en carrotcake dat de fietstocht erop zit: 3.400 kilometer.

De bus naar Nelson neemt de fietsen achterop mee. De weg over de Takaka Hill is deze keer volkomen helder, en vanaf de bus zien we alsnog het panorama over de Golden Bay dat ons op de fiets werd onthouden. Bij het vliegveld van Nelson zijn nog twee fietsdozen over, die we meteen reserveren. Wat versleten is blijft in Nelson achter, de rest wordt verdeeld over wat mee moet naar Auckland en wat de doos in gaat. In twee maanden hebben we vrijwel niets weggegooid, op een pompoen en een avocado na die te lang in de fietstas meereisden.

3.400 kilometer verder, en de fietsen gaan voor het eerst weer in een doos.

In Auckland lopen we tegen een grote demonstratie aan. Diezelfde dag wordt in de stad het TPP-verdrag ondertekend, het handelsakkoord tussen Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten en tien andere landen rond de Pacific, en een flink deel van de menigte ziet dat als de uitverkoop van het land. Zoals bijna alles hier verloopt het vriendelijk en ordelijk, met peace keepers die zelfs de teksten op de spandoeken in de gaten houden. Voorop lopen Maori Warriors.

Voor het donker klim ik naar de top van Mount Eden, een van de tientallen kraters waarop de stad is gebouwd en het hoogste natuurlijke punt van Auckland. De stad strekt zich in alle richtingen uit tot aan de horizon: anderhalf miljoen mensen, verspreid over een van de grootste stadsuitlopen ter wereld. Dezelfde krater waar ik twee maanden geleden op stond, met dit keer een lichtzee eromheen.

Wat is tegengevallen, is de drukte. De bekende plekken stonden vaker vol dan we hadden verwacht en op de populaire DOC-terreinen moesten we vroeg zijn voor een plaats. Meegevallen is hoe schoon het land is, hoeveel er buiten de trekpleisters gewoon leeg bleek, en hoe ver we kwamen op zelf koken. Wat rest is een taxi naar hetzelfde vliegveld waar we ruim twee maanden geleden aankwamen.

Deze etappe volgt op de westkust en de gletsjers; de hele reis staat dag voor dag in het reisoverzicht van Nieuw-Zeeland.

Verhaal uitgelezen? Een kleine bijdrage helpt de verhalen op weg te houden.





Advertentie

Praktische informatie

De Takaka Hill: 791 meter en de enige verbinding tussen de Golden Bay en de rest van het Zuidereiland, wat betekent dat al het vracht- en vakantieverkeer erlangs moet. Vanaf de zuidkant klim je vanaf zeeniveau: de eerste kilometers zijn het steilst, daarna is het geleidelijk. Reken op wolken op de top, ook bij helder weer beneden. Wie de klim wil overslaan, kan de streekbus nemen die fietsen achterop meeneemt.

Abel Tasman en Kaiteriteri: het zuidelijke deel van het park is populair bij wandelaars die per watertaxi bij verschillende startpunten worden afgezet, dus ook wie zelf vertrekt loopt in groepen. Kaiteriteri is ’s zomers volgebouwd en volgeboekt, met campings die tot aan het strand doorlopen; het rustigere alternatief ligt landinwaarts.

Wharariki Beach en Farewell Spit: vanaf de parkeerplaats aan het eind van Wharariki Road loop je in ongeveer twintig minuten door weiland en kustbos naar het strand. De zeeleeuwen liggen in de rotspoelen aan de noordkant; kom bij laagwater en houd afstand, want de jongen zwemmen tot vlak langs je heen. Farewell Spit zelf is natuurreservaat: alleen de eerste kilometers vanaf het parkeerterrein zijn vrij toegankelijk, verder de spit op kom je uitsluitend met een vergunde tour, en fietsen en voertuigen zijn er niet toegestaan.

Getijden in de Golden Bay: het verschil tussen hoog- en laagwater is hier groot; bij eb trekt de zee honderden meters terug. Handig om te weten voor de wandeling naar Wharariki, en de reden dat er in deze baai geregeld walvissen stranden.

Slapen: rond Takaka en Collingwood is er van klimmerscampings tot holiday parks van alles; de plekken direct aan het water worden in het hoogseizoen vaak vooruit gereserveerd voor campers, dus vraag daar bij het boeken expliciet naar. De kleinere terreinen aan de noordkant van de baai, bij Pakawau, zijn rustiger en aanzienlijk vriendelijker.

Naar huis met de fiets: vanaf Nelson vertrekken elk uur binnenlandse vluchten naar Auckland en Wellington, wat sneller en goedkoper is dan de veerboot met doorreis over land. Fietsen moeten apart geboekt worden en de kartonnen dozen op het vliegveld zijn beperkt in aantal en kleiner dan je denkt: reserveer er een bij aankomst en reken erop dat pedalen, stuur, zadel en beide wielen eraf moeten. Neem zelf bubbelplastic en tape mee.

Plan je reis

Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.

Foto’s uit Nieuw-Zeeland

Meer foto’s uit Nieuw-Zeeland ›

Waar dit verhaal ligt

Plan je eigen reis door Nieuw-Zeeland

De reisgids bundelt alle praktische artikelen: vervoer, overnachten, geld en de beste routes.

Naar de reisgids Nieuw-Zeeland ›
DelenWhatsAppE-mailFacebook
Advertentie
Jeroen Kleiberg

Jeroen Kleiberg

I like to explore some more

Nieuwe verhalen in je mail

Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.

Waardeer je dit blog?

Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.





Laat een bericht achter


Meer inspiratie