Uit de tent komen is aan de westkust een operatie. Eerst aankleden in de binnentent, dan de rits zo kort mogelijk open, deet binnen handbereik, schoenen aan, broek in de sokken, petje op. Zo min mogelijk huid, zo min mogelijk tijd. In de voortent wacht een leger zandvliegen, en ’s nachts zoemen er honderden muggen tegen het doek. Ontbijten doen we in de gemeenschappelijke keuken, want elke camping hier heeft er een: het probleem is bekend genoeg om er een gebouw voor neer te zetten.
De kustweg naar het noorden loopt door regenwoud waarin de boomvarens steeds talrijker worden. Bij Ship Creek drinken we koffie op het strand terwijl een stuk of acht dolfijnen vlak voor ons in de branding spelen. Het kiezelstrand ligt vol aangespoeld hout, door de rivieren uit de bergen gesleept en door de westelijke stroming hier neergelegd.
Dolfijn zijn heeft wel iets: geen last van zandvliegen.
Bij Lake Paringa staat een DOC-terrein aan stil water tussen dichtbegroeide bergen. Zwemmen gaat volgens vast protocol: zo kort mogelijk uit de kleren, het water in, en er weer uit, terwijl de ander met een handdoek de zandvliegen wegwappert.
Vijftig campers op een plek voor twaalf
Dat terrein is ’s avonds stampvol. Op een plek met ruimte voor hooguit twaalf auto’s staan er minstens vijftig, het overgrote deel huurcampers met buitenlandse toeristen, allemaal met een schuifdeur die om de haverklap open en dicht moet en alleen sluit als hij hard genoeg dichtvalt. We hadden een leeg land verwacht met hier en daar een reiziger, en treffen precies het massatoerisme dat we dachten te ontlopen. Klagen helpt niet, en na bijna twee maanden fietsen weten we intussen dat de rust hier verdeeld is: op de doorgaande route is het druk, een grindweg verderop is het leeg.
Tot Bruce Bay is de weg bijna verlaten, met de wind in de rug door groene jungle vol boomvarens. Bruce Bay zelf is een breed, verlaten kiezelstrand vol aangespoelde boomstammen. Geen dolfijnen deze keer bij de koffie, wel een leger zandvliegen dat meesmult van onze koekjes; de bulten houden bijna een week aan. We rijden nu langs de westflank van Aoraki/Mount Cook, al is daar door de laaghangende bewolking niets van te zien. Langs de weg alleen buitenlandse toeristen in campers en backpackerbusjes, geen kiwi te bekennen. Veel van hen toeteren als groet, ongetwijfeld goedbedoeld, maar recht naast je oor is dat vooral een pijnlijk geluid.
Een plak worteltjestaart zou ons meer waard zijn dan getoeter.
Fox Glacier is de moeite van de omweg waard. Na vier kilometer over de Glacier Valley Track staat de parkeerplaats vol, maar een wandeling van een uur laat de mensenmassa vanzelf in de schaal van het landschap verdwijnen. De gletsjer is dertien kilometer lang, eindigt op driehonderd meter hoogte en daalt daarbinnen tweeënhalfduizend meter, met een gemiddelde beweging van een meter per dag: een van de snelste ter wereld. Buiten de poolgebieden eindigt nergens een gletsjer zo dicht bij zee. Rond half elf zwelt het geronk in de lucht aan en vertrekken de eerste rondvluchten. Het dorp Fox Glacier leunt volledig op dit soort toerisme, en wij blijven er ook, simpelweg omdat er in de wijde omgeving geen alternatief is.
De rustdag erna gaat naar Lake Matheson, bekend om de spiegeling van Mount Cook en Mount Tasman in het donkere water. Vandaag verstoort een lichte wind dat effect en hangen de bergen achter de wolken. Toergroepen zijn er genoeg, maar ze blijven vrijwel allemaal bij de steiger hangen; wie het rondje om het meer loopt komt nog een handvol mensen tegen. Verderop, aan Gillespies Beach, staan twintig auto’s vol backpackers die vanwege de zandvliegen liever binnen blijven zitten. Op het verder verlaten strand stoor ik een zeeleeuw in zijn middagdutje, die meteen naar zee vlucht. ’s Avonds komen op de camping koeien op ons af, tot een toergroep precies naast ons stopt om foto’s te maken van de koeien die wij zelf hebben gelokt.
Twee gletsjers en een regenwoud tot aan zee
Naar Franz Josef moeten we over twee heuvels: tweehonderdvijftig meter omhoog, tweehonderd omlaag, en dan nog eens tweehonderd omhoog. Boven zijn de wolken zo ver opgetrokken dat de berg volledig zichtbaar is. De gletsjer is vernoemd naar meneer Haast, een Oostenrijkse ontdekkingsreiziger die tot onze verbazing echt zo heette: dezelfde naam als de pas van eerder deze week.
Franz Josef is lastiger te bereiken dan Fox Glacier en toch drukker. De wandeling van anderhalf uur naar het uitzichtplatform levert meer op dan bij de vorige gletsjer: de blauwe, gekartelde ijstong is van beneden tot boven te volgen, met een paar helikopters die er voortdurend omheen cirkelen. Ook deze gletsjer trekt zich snel terug. Nog in 2008 reikte het ijs tot aan de rand van het regenwoud; nu kijk je van een afstand naar het einde ervan.
De dertig kilometer naar Okarito zijn zo gefietst, over vlakke weg met wat rugwind in grijze, drukkende hitte. Echte fietsers komen we weinig tegen; de meeste zitten in een busje met de fiets op het dak. De uitzondering zijn Walter en Philip, een Oostenrijkse vader en zoon: Philip fietst een jaar de wereld rond, Walter rijdt drie weken met hem mee. We treffen ze terug op de camping van Okarito, waar het tarief hoog genoeg is om de meeste backpackers elders te houden.
Okarito is een van de mooiste plekken van de reis. Het regenwoud reikt hier tot aan zee, en een rivier stroomt dwars door het brede kiezelstrand naar buiten in een voortdurend gevecht met de binnenkomende branding, waardoor de loop steeds verandert. De vochtige zeelucht wordt tegen de dichtbegroeide kliffen omhoog geperst en legt een witte waas over de groene hellingen. Met zes meter neerslag per jaar heeft het zoute zeewater hier nauwelijks vat op de begroeiing. ’s Avonds zitten we met de Oostenrijkers bij het kampvuur, die met verbazing naar ons eten kijken: zelf komen ze niet verder dan noodles, want koken kunnen ze niet. Ze krijgen een spoedcursus campingkoken. Lang buiten blijven zitten lukt niet.
Net als de zandvliegen het voor gezien houden, vallen de muggen uit het moeras massaal aan.
Waarom we de bus nemen
Daarna begint het te regenen, en dan hard: de hele nacht door en ’s ochtends nog steeds. Om elf uur stappen we alsnog op. De weg omhoog, door kiwi-leefgebied, is één aaneenschakeling van plassen, net als een groot deel van de camping. Van de hellingen komt het water in tientallen stroompjes en watervallen omlaag; met zes meter per jaar moet het ergens naartoe.
Drijfnat komen we aan in Whataroa, waar het café tegelijk postkantoor en winkel is en de lokale klandizie chagrijnig de regen zit uit te wachten. Dat is te begrijpen: te veel regen, te veel zandvliegen. Van de meeste artikelen liggen er nog een paar. We bestellen een hamburger en luisteren naar de weersverwachting: vandaag geen droge dag, morgen niet, overmorgen ook niet. Ik begin te kijken naar een bus richting Nelson en blijk niet de enige, want Floor denkt hetzelfde. Het besluit is snel genomen.
We nemen een cabin, zetten alles aan de verwarming en boeken twee plaatsen naar Kawatiri, waar we de fietsroute weer kunnen oppikken. De fietsen betalen we apart, zonder garantie dat ze meekunnen: dat is aan de chauffeur. Intussen loopt het weiland achter de cabin langzaam onder, tot er watervogels doorheen waden. Hoe mensen hier permanent wonen is ons een raadsel.
De volgende ochtend komt de bus stipt op tijd. De chauffeur springt naar buiten en geeft ons twee minuten om de fietsen uit elkaar te halen en in het laadruim te proppen: er zitten passagiers in die in Greymouth de trein naar Christchurch moeten halen, en verderop komen nog meer fietsen bij. Van die haast blijkt daarna weinig, want in Harihari staan we een half uur stil en in Hokitika bijna anderhalf uur, terwijl de aansluiting in Greymouth uiteindelijk vijf minuten blijkt te zijn.
En buiten valt geen druppel. Voor een streek waar die dag twee centimeter regen per uur zou vallen, is de lucht opvallend blauw. Greymouth en Hokitika ogen aantrekkelijk, de weg naar Westport loopt een tijd vlak langs de oceaan, en tussen Westport en Kawatiri snijdt hij door aaneengesloten, onaangetast bos: precies het bos dat we deze hele reis hebben gemist.
Buiten de bus zou dit een fantastische fietsdag zijn geweest.
In Kawatiri stappen we uit en acht kilometer verderop, in Tapawera, staat een camping waar alles gewassen en gedroogd kan worden. Voor het eerst in weken zitten we ’s avonds tot laat buiten: geen kou, geen insecten, geen regen.
Deze etappe volgt op Fiordland en de Haast Pass; de hele reis staat dag voor dag in het reisoverzicht van Nieuw-Zeeland.
Praktische informatie
De route: tussen Haast en Westport is er één doorgaande weg, en dus geen ontsnapping aan het verkeer. De afstanden tussen de dorpen zijn groot: van Haast naar Fox Glacier ruim honderdtwintig kilometer met alleen een winkel bij Lake Paringa in de buurt, daarna Franz Josef, Whataroa en Harihari op korte afstand van elkaar. Sla in bij Haast, Fox Glacier of Franz Josef.
De gletsjers nu: de valleiwandelingen die wij maakten zijn ingehaald door de terugtrekking van het ijs. De Fox Glacier Valley Walk is gesloten omdat de vrijgekomen valleibodem instabiel is; bij Franz Josef loopt een verlegd pad naar een uitzichtpunt op afstand. Op het ijs zelf kom je tegenwoordig alleen nog met een helikopter, wat de rekening flink opdrijft. Wie de gletsjer van dichtbij wil zien zonder te vliegen, moet het doen met de uitzichten en de foto’s uit de tijd dat het nog anders was.
Lake Matheson: de spiegeling van Aoraki/Mount Cook en Mount Tasman werkt alleen bij windstil en helder weer, dus vroeg in de ochtend. De toergroepen blijven vrijwel allemaal bij het eerste uitzichtpunt; het hele rondje om het meer is een stuk rustiger.
Zandvliegen: dit is het gebied waar ze het talrijkst zijn, en ze bepalen de dagindeling. Bedek alles, gebruik insectenwerend middel, en kies campings met een overdekte keuken; die zijn er hier vrijwel overal, precies om deze reden. Zwemmen doe je snel, met iemand die met een handdoek wappert.
Regen en de bus: de westkust krijgt rond de zes meter neerslag per jaar. Reken op dagen achtereen regen en plan er marge voor in. InterCity rijdt de kustroute en neemt fietsen mee, maar met beperkte laadruimte, tegen een aparte vergoeding en uiteindelijk ter beoordeling van de chauffeur; boek zowel je stoel als je fiets ruim vooruit, want in het hoogseizoen zitten de bussen weken van tevoren vol. Kawatiri is een logisch instappunt om de route landinwaarts weer op te pikken.
Slapen: in Fox Glacier en Franz Josef is het aanbod ruim maar prijzig, en er is in de omgeving weinig alternatief. De DOC-terreinen langs de kustweg zijn goedkoop maar in het hoogseizoen overvol; Okarito, een stukje van de doorgaande weg af, is beduidend rustiger en een van de mooiste plekken van de kust.
Plan je reis
- Overnachten in Nieuw-Zeeland: vergelijk accommodaties ›
- Activiteiten en excursies in en rond Fox Glacier: bekijk op GetYourGuide ›
Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.
Foto’s uit Nieuw-Zeeland
Meer foto’s uit Nieuw-Zeeland ›




Waar dit verhaal ligt
Bekijk de volledige kaart van Nieuw-Zeeland ›
Meer uit deze reis
Alle verhalen uit Nieuw-Zeeland ›Plan je eigen reis door Nieuw-Zeeland
De reisgids bundelt alle praktische artikelen: vervoer, overnachten, geld en de beste routes.
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.
