De Catlins en Southland: pinguïns, windkracht negen en kaal boerenland

Published: Updated: 0 comments

Om de schapenweide bij Balclutha te verlaten moeten we langs de kudde die tussen ons en de weg staat. Zo mak als een lammetje blijkt een ongelukkige uitdrukking. In plaats van bij ons weg te blijven, lopen de schapen precies de kant op waar wij heen moeten, en een stuk of vijf raakt klem tussen prikkeldraad en hek, in paniek, zichzelf vooruitwerpend alsof ze zich te pletter willen rennen. Pas als ik mijn fiets neerzet en langzaam naar ze toe loop, vinden ze de opening. Verderop knallen er nog een paar tegen bomen om weg te komen van twee mensen die het alleen maar goed met ze voorhebben.

In Balclutha vullen we de voorraad aan en probeer ik voor de zoveelste keer een kapper te vinden. Er zijn er drie, en alle drie zitten ze vol met vrouwen die hun haar laten verven. Waar in dit land de gewone herenkapper is gebleven, is me na weken nog steeds niet duidelijk.

Nugget Point en de zeldzaamste pinguïn ter wereld

In Kaka Point, aan de rand van de Catlins, staat de tent al voor het middaguur, op een verscholen plek tussen bosjes vol vogels.

’s Middags fiets ik alvast de negen kilometer gravel naar Nugget Point. De weg eindigt bij een scherenkust met een vuurtoren op de punt, maar het gaat om wat eronder ligt. Zeehonden en zeeleeuwen liggen op de rotsen en rollen door het water, luidruchtig en druk met elkaar bezig. Er broedt ook een kolonie geeloogpinguïns, al is kolonie een groot woord: ik krijg er twee te zien. Het is de zeldzaamste pinguïn ter wereld, en waarom het aantal terugloopt is de vraag. Misschien wordt het water hier te warm, misschien komen er simpelweg te veel mensen langs.

Kolonie is een groot woord voor de handvol geeloogpinguïns die hier nog zitten.

’s Avonds gaan we opnieuw, want acht uur zou het beste moment voor de pinguïns zijn. Er komt er geen, het wordt te donker om nog iets te onderscheiden, maar op de rotsen liggen zeeleeuwen en zelfs een zeeolifant, als een grote blob in het laatste licht. Op de terugweg breekt op het wasbord een spaak in mijn achterwiel. De eerste van de reis.

De volgende dag is het beestenweer: regen, wind, storm. Dat het hier zo tekeergaat is geen toeval. Dit deel van het Zuidereiland ligt op de breedte van de Roaring Forties, de gordel van westenwinden die onafgebroken over de Zuidelijke Oceaan jaagt en die op geen enkel land stuit voor hij hier aankomt. In de gemeenschappelijke keuken koken we terwijl de ene bui na de andere tegen de ramen beukt en alles trilt, ruist en piept alsof we op een onderzoeksstation in Antarctica zitten. Bij het strand verschijnt aan de oostelijke horizon een oranje gloed die langzaam feller wordt, alsof er iets in brand staat, tot blijkt dat het een regenboog is die recht op ons afkomt.

Windkracht negen naar Curio Bay

Een ouder echtpaar dat op pinguïns heeft zitten wachten wenst ons succes. Windkracht negen uit het westen, precies de richting waarin wij moeten. Het land maakt het draaglijk: groene steile hellingen vol schapen, afgewisseld met stukken oorspronkelijk bos. In Owaka serveert een grote, getatoeëerde man ons koffie met carrot cake, en in de krant lezen we dat het slecht gaat met de melkveehouderij door de lage melkprijs. Datzelfde melkvee zagen we langs de Clutha al aan de rivieren vreten.

We nemen zoveel mogelijk grindwegen om het verkeer te ontwijken, stoppen bij Purakaunui Falls voor een korte wandeling door bos vol boomvarens dat mooier is dan de waterval zelf, en slaan de camping bij McLean Falls over zodra blijkt wat een paar vierkante meter op wat een festivalterrein lijkt daar moet kosten. De laatste dertig kilometer gaan door dicht bos, wat na alle kaalslag van de vorige dagen een verademing is en bovendien de wind breekt. Dan daalt de weg bijna vierhonderd meter en waait het voor het eerst die dag mee.

Curio Bay ligt vlak bij Slope Point, het zuidelijkste punt van het Zuidereiland. Bij laag tij lopen we over het brede strand naar het versteende woud: honderdtachtig miljoen jaar oude, versteende resten van een bos, liggend in de rotsen waar normaal de branding tegenaan slaat. Verderop broedt een geeloogpinguïn op haar nest. Er geldt een minimale afstand en het is opvallend hoeveel mensen zich daar niets van aantrekken. Waarom je zo’n kwetsbaar dier zo toegankelijk maakt, is ons een raadsel; misschien wordt deze plek juist opgeofferd om andere gebieden met rust te kunnen laten.

We gaan naar bed in windstilte en liggen er nog niet in of de wind slaat terug. De tent staat stevig vast maar buigt en klappert, en rond half één ’s nachts zetten we hem in de stromende regen dieper tussen de native scrub, de lage kuststruiken waar de wind overheen slaat in plaats van doorheen. ’s Ochtends vertelt de campingbeheerder dat er een uitzonderlijke storm is overgetrokken: stroomuitval in de wijde omgeving, omgewaaide bomen, weggewaaide daken, en bij een paar kampeerders een verdwenen tent. Er zijn windstoten van honderdzestig kilometer per uur gemeten.

Een stad voor auto’s, en de wind van de andere kant

De dertig kilometer naar Invercargill zijn de kaalste van de reis. Voorbij Fortrose, waar niets staat dan een dairy, wordt het land vlak, open en volledig agrarisch, en er staat geen boom meer om de wind af te remmen. Boven een weiland zwiept een helikopter heen en weer om te bemesten of te spuiten; met deze wind lijkt het ons knap om het land nog te raken.

Invercargill is een stad van zo’n vijftigduizend inwoners waar vrijwel iedereen in een vrijstaand huis woont en de straten in een raster liggen. Alles is op de auto ingericht: de uitvalsweg naar het noorden is een aaneenschakeling van garages, showrooms en winkels. Het centrum valt mee, met bomen en terrassen. En tegenover de camping zit eindelijk een herenkapper die me zonder afspraak knipt. Na weken zoeken telt dat als overwinning.

Buiten waait het alweer hard, nu uit het noordwesten, precies de richting waarin we die dag moeten. Bij een van de laatste heuvels komen twee Belgische fietsers ons tegemoet, stralend van geluk met de meewind die wij vervloeken. Ze fietsen al acht maanden en dit is de eerste keer dat de wind hen helpt. Ze vertellen over fietsers bij Mount Cook die vijftig kilometer voor de finish de bus namen omdat ze werden teruggeblazen.

Er bestaat niet zoiets als de goede kant op fietsen, alleen geluk hebben als de wind toevallig jouw kant op waait.

Bij Monkey Island, een gratis kampeerplek aan Te Waewae Bay, worden we onthaald door een groep Nederlanders en kiwi’s die allemaal familie van elkaar blijken, met bier en een plek aan hun maaltijd. Een van hen heeft een hertenfarm. De dieren worden er vooral gefokt voor hun geweien, die in fluweelstadium goed geld opleveren op de Aziatische medicijnmarkt: een exportproduct waar je vanaf de weg niets van ziet, want je ziet alleen herten achter een hek. Als het weer hard begint te regenen vinden we net op tijd een beschutte plek tussen de tamarisken, zoutminnende kuststruiken. De tent staat binnen vijf minuten.

Deze etappe volgt op Central Otago; de hele reis staat dag voor dag in het reisoverzicht van Nieuw-Zeeland.

Verhaal uitgelezen? Een kleine bijdrage helpt de verhalen op weg te houden.





Advertentie

Praktische informatie

De route: de Catlins liggen tussen Balclutha en Invercargill aan de Southern Scenic Route, met veel grindwegen als rustig alternatief voor de doorgaande weg. Reken op korte, stevige klimmen en op wind: dit is de breedte van de Roaring Forties, en die komt uit het westen. Wie van oost naar west rijdt, zoals wij, heeft hem structureel tegen; andersom fiets je dezelfde route in de helft van de tijd. Zet de zware dagen zo vroeg mogelijk in de ochtend.

Nugget Point en Curio Bay: Nugget Point ligt negen kilometer over gravel vanaf Kaka Point, met een vuurtoren, pelsrobben en zeeleeuwen op de rotsen. Geeloogpinguïns keren aan het eind van de middag terug uit zee; laat in de middag tot schemer is het beste moment, en bij drukte regelt een ranger de toegang zodat de dieren de weg naar hun nest houden. Blijf uit de begroeiing, laat drones thuis. Het versteende woud van Curio Bay is bij laag tij toegankelijk via de trap onder het uitkijkplatform; check de getijden voor je gaat. Het bezoekerscentrum bij Curio Bay is sinds april 2026 gesloten voor een verbouwing, dus reken op minder voorzieningen dan de folders beloven.

Slapen: in de Catlins wisselen commerciële campings en DOC-terreinen elkaar af; sommige plekken vragen holiday-parkprijzen voor weinig meer dan een stuk gras, dus vergelijk voor je afrekent. Monkey Island aan Te Waewae Bay is een gratis kampeerplek aan zee. In Invercargill is het aanbod het grootst en zijn de campingkeukens ronduit goed. Zet de tent in de Catlins altijd achter struiken of bos: de wind kan hier binnen een nacht van windstil naar honderdzestig kilometer per uur gaan.

Bevoorrading en voorzieningen: tussen Balclutha en Invercargill liggen alleen kleine plaatsen, vaak met niet meer dan een dairy tegen toeristenprijzen. Doe je grote boodschappen in Balclutha, Owaka of Invercargill. Invercargill is ook de plek voor fietsonderdelen; op de gravelwegen van de Catlins breken spaken.

Plan je reis

Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.

Foto’s uit Nieuw-Zeeland

Meer foto’s uit Nieuw-Zeeland ›

Waar dit verhaal ligt

Plan je eigen reis door Nieuw-Zeeland

De reisgids bundelt alle praktische artikelen: vervoer, overnachten, geld en de beste routes.

Naar de reisgids Nieuw-Zeeland ›
DelenWhatsAppE-mailFacebook
Advertentie
Jeroen Kleiberg

Jeroen Kleiberg

I like to explore some more

Nieuwe verhalen in je mail

Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.

Waardeer je dit blog?

Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.





Laat een bericht achter


Meer inspiratie