In dit fijne guesthouse nemen we een paar rustdagen. Aan de ontbijttafel, bij poffertjes met verse jam, vertelt eigenaar Vitali dat we pech hebben: het slechte weer begon toen wij Oekraïne binnenkwamen en blijft nog even. We zetten foto’s op de website en gaan ondanks de regen de stad in, op slippers, want onze schoenen zijn nog doorweekt en de straten met hun diepe gaten staan blank.
Hoetsoelen en paaseieren
Kolomyia is het culturele centrum van de Hoetsoelen, het bergvolk uit de Oekraïens-Roemeense Karpaten, bekend om muziek, klederdracht en houtsnijwerk. In het Hoetsoelenmuseum krijgen we een beeld van de streek waar we doorheen fietsten; de geometrische patronen in kleding en kleur doen denken aan Mongolië, en het houtsnijwerk is waar ze echt in uitblinken. Daarna het pysanka-museum, gehuisvest in een gebouw in de vorm van een reuzenpaasei, het enige ter wereld dat aan het beschilderde ei is gewijd. Een pysanka wordt niet geschilderd maar met bijenwas “geschreven”; de collectie telt meer dan tienduizend exemplaren, elk in een eigen precieze geometrie.
Een pysanka wordt niet geschilderd maar met bijenwas geschreven.
De waarschuwing voor Transnistrië
In het guesthouse raken we aan de praat met een rusteloze Italiaan die de regio goed kent. Hij raadt ons Moldavië af: we zijn vlakbij, maar zouden in Transnistrië kunnen belanden, een strook die zich onafhankelijk heeft verklaard maar door vrijwel niemand wordt erkend, met een reputatie van smokkel en willekeur. We laten Moldavië voor wat het is. Op de markt, waar je echt voelt dat je op reis bent, verkopen de babushky in bloemetjesjurk aan de rand hun melk, paddenstoelen, een paar appels: karige handel om een karig pensioen aan te vullen, vaak weduwen sinds hun mannen niet terugkeerden van de fronten van de Tweede Wereldoorlog.