Op 25 oktober 1945 nam de Republiek China (ROC) Taiwan over van Japan, na de Japanse capitulatie. De komst van het Chinese nationalistische bestuur verliep moeizaam. Ambtenaren en soldaten die vanuit het vasteland kwamen, werden door veel Taiwanezen als vreemdelingen ervaren, niet als bevrijders.
Het 228-incident (1947)
Op 28 februari 1947 brak een opstand uit na een geweldsincident waarbij een belastingambtenaar een sigarettenverkoopster sloeg en een omstander neerschoot. De woede over de uitbuiting en het wanbestuur van het ROC-regime stak op in een paar dagen tijd over heel Taiwan. De ROC-regering stuurde troepen vanuit het vasteland. In de weken die volgden werden naar schatting tien- tot dertigduizend mensen gedood, met name uit de hoger opgeleide Taiwanese klasse. Het incident, bekend als Èr-Èr-Bā (2-2-8), werd decennialang officieel verzwegen. Pas in de jaren negentig begon een openbare erkenning; het Monument 228 in Taipei werd ingewijd in 1997.
De KMT-vlucht en de komst van de waishengren (1949)
Na de overwinning van de communisten onder Mao Zedong in de Chinese Burgeroorlog trok Chiang Kai-shek zich in december 1949 met de ROC-regering, het leger en zo’n 1,2 miljoen burgers terug op Taiwan. De KMT (Kuomintang, de Nationalistische Partij) richtte zich in op een voorlopige basis, in afwachting van een terugkeer naar het vasteland die nooit zou komen.
Op Taiwan werd de staat van beleg afgekondigd, die van 1949 tot 1987 van kracht bleef: 38 jaar, een van de langste militaire noodtoestandsperiodes in de moderne wereld. Politieke partijen waren verboden, de pers gecensureerd, opposanten gevangengezet of geëxecuteerd. De periode staat bekend als de Witte Terreur.
Economische groei en democratisering
Ondanks de politieke repressie kende Taiwan in de jaren zestig en zeventig een snelle economische groei. Landhervormingen hadden de productiviteit vergroot, en Taiwan ontwikkelde zich tot een exportgerichte industriële economie. In de jaren tachtig groeide de druk voor democratisering. In 1986 werd illegaal de Democratische Progressieve Partij (DPP) opgericht; de staat greep niet in. In 1987 werd de staat van beleg opgeheven.
In 1996 vond de eerste directe presidentsverkiezing plaats. Lee Teng-hui, zelf van Hoklo-afkomst en de eerste Taiwanees geboren president van de ROC, won die verkiezing. Volksrepubliek China voerde in aanloop naar de verkiezingen rakettests uit in de Straat van Taiwan als waarschuwing: de Verenigde Staten stuurden twee vliegdekschepen.
De huidige politieke situatie
Taiwan functioneert als een zelfbesturende democratie met een eigen leger, munteenheid, grondwet en gekozen bestuur. De Volksrepubliek China beschouwt Taiwan als een afvallige provincie en heeft nooit afstand gedaan van de aanspraak op het eiland. Taiwan is officieel geen lid van de Verenigde Naties. Slechts een handvol landen erkent de ROC diplomatiek.
Voor reizigers is de situatie praktisch: Taiwan geeft eigen visa uit, heeft een eigen paspoortcontrole en werkt met een eigen munteenheid (de Nieuwe Taiwanese Dollar). Op sommige digitale kaarten verschijnt Taiwan als onderdeel van China; de Taiwanese overheid dringt er bij internationale bedrijven op aan dat te corrigeren.
In het Nationaal Chiang Kai-shek Herdenkingsmonument in Taipei staat een gigantisch bronzen beeld van de man die de Witte Terreur instelde. Aan de andere kant van het plein staat een monument voor zijn slachtoffers. Beide zijn open voor het publiek, op loopafstand van elkaar.