De dag begint in de absolute stilte van de steenwoestijn. De nachtelijke passage van een enkele auto is de enige indicatie van menselijke aanwezigheid in deze leegte. Terwijl een oranje gloed over de horizon trekt, pak ik de tent in. Na tien kilometer verruil ik het asfalt voor de piste; de fysieke frictie die bij dit terrein hoort, dient zich direct aan in de vorm van stijgingspercentages die de kaart niet prijsgaf.
De logistiek van de dorst
Een tactische inschattingsfout domineert de ochtend: ik heb te weinig water. De dorpen die op de kaart staan aangegeven, blijken in de praktijk niet meer dan een verzameling verlaten ruïnes of kleine nederzettingen zonder commerciële infrastructuur. Met slechts twee liter water voor een dagetappe in dit droge klimaat is de marge gevaarlijk klein. Mandarijnen en koekjes dienen als noodrantsoen, terwijl de route door een ruwe bergketen snijdt die de grens van de steenwoestijn markeert. Zelfs op deze afgelegen flank wordt aan de weg gewerkt; via spectaculaire haarspeldbochten transporteren vrachtwagens zand naar de top, waar het pad overgaat in harde gravel.
Contrasten in de oase
De afdaling opent het zicht op een landschap van roodbruine rotsen, waar de eerste palmbomen het contrast tussen de dorre hoogten en de vruchtbare dalen markeren. De sociaal-geografische realiteit is hier onvergetelijk: armoedige dorpen met half ingestorte lemen huizen getuigen van een hard bestaan. De economische scheidslijn is zichtbaar in de bouwmaterialen. Wie kapitaal heeft, bouwt met grijze betonblokken; de rest blijft achter in de langzaam afbrokkelende leemarchitectuur. In de palmoases langs de route zijn geen winkels direct aan de weg te vinden. Kinderen die van verre aan komen rennen maken een onopvallende stop onmogelijk. De keuze om niet diep de dorpen in te duiken op zoek naar een hanout resulteert in dertig kilometer zonder waterpunt.
De laatste kilometers naar de poort
De vallei verbreedt zich tot een vlakte met droge rivierbeddingen, gekenmerkt door verspreid staande acacia’s. Ondanks de rugwind dwingt het gebrek aan vocht en calorieën me tot een strak tempo richting Foum Zguid, het strategische startpunt voor de route dieper de woestijn in. De laatste vijftien kilometer slaat de wind om naar een nijdige tegenwind, precies op het moment dat de zon de horizon raakt.
In Foum Zguid capituleer ik voor het comfort. De lokale riad rekent 600 dirham inclusief maaltijd—een fors bedrag, maar de prijs van een warme douche en een fatsoenlijk bed na honderd kilometer stof en dorst is op dit moment ondergeschikt.