We mogen pas weg na nog twee verplichte kopjes thee, maar vandaag willen we naar Amasra. We beginnen aan de klim naar een pas van duizendveertig meter: eerst steil het ravijn uit, dan bijna twintig kilometer gestaag omhoog, de eerste vijftien over een drukke werkweg waar een nieuwe vierbaansweg wordt aangelegd. Na een splitsing wordt het rustiger en klimmen we de wolken in. Tegen de steile hellingen liggen langwerpige plastic tunnels voor de tuinbouw geplakt.
Zo’n tien kilometer voor Bartın stoppen we voor thee, en met gebaren wordt ons gevraagd of we honger hebben. Dat hebben we. We lopen mee met een jongen, de cameraman van een feest, en krijgen in een zaaltje een maaltijd van kip, rijst, gevulde druivenbladeren, börek en baklava voorgezet. We zijn nog niet klaar of de hele zaal stroomt vol met mannen die hetzelfde krijgen; het blijkt het feest rond een besnijdenis. Even later komen de vrouwen, allemaal met hoofddoek, die in een aparte ruimte plaatsnemen. Floor zit als enige vrouw tussen zestig Turkse mannen en jongens, en ik vermoedelijk als enige onbesneden man. Betalen hoeft nergens.
De Zwarte Zee onder ons
Na Bartın is het nog zestien kilometer naar Amasra, en opnieuw fors klimmen. Als je al meer dan tachtig kilometer hebt gefietst is dat niet leuk meer, en Floor beschimpt de helling waar maar geen einde aan komt. Maar de beloning is er: vanaf enkele honderden meters hoogte zien we de Zwarte Zee onder ons liggen, een rauwe, indrukwekkende kustlijn zonder stranden, alleen loodrechte kliffen die het einde van Turkije vormen. Over scherpe haarspeldbochten dalen we af naar het vissersplaatsje Amasra, zevenduizend inwoners, een Turkse vakantieplaats waar nauwelijks westerse toeristen komen. Een pansiyon, een eenvoudig familiepension, biedt een kamer voor honderd lira, die we na bezichtiging op vijftig krijgen; de waterdruk blijkt een pisstraaltje.
Floor beschimpt vloekend de helling waar maar geen einde aan lijkt te komen.
De rustdag erna begint met de imam van Amasra, die ik bij dezen nomineer voor de trofee slechtste imam van het decennium: te lange pauzes tussen de regels, en knettervals bovendien, om vier uur ’s ochtends vijf lange minuten lang. Het contrast met de uitstekende imam van Safranbolu is groot. We slapen uit tot half elf en slaan de douche, die de naam niet verdient, maar over. Amasra ligt prachtig op een smalle rotspunt, met het oude fort via een stenen brug verbonden met het vasteland, maar het stadje zelf is lelijk, alleen maar betonnen gebouwen, zij het in vrolijke kleuren. Er zijn wel veel plekken om rustig te zitten. We brengen drie uur door op het terras van gisteren, waar we inmiddels vrienden hebben; de lieve ober heeft een zinnetje Engels geoefend, “what would you like to drink?”, tot Floor naar wijn vraagt en er een ander aan te pas moet komen. De rekening is weer mooi afgerond; net als zo vaak hebben we het idee een vriendenprijs te krijgen omdat we vriendelijk zijn.