Istanbul: aankomst over de Bosporus en twee steden in één

Published: Updated: 0 comments

Tegen de verwachting in slaap ik goed op de boot. Floor heeft ’s ochtends last van zeeziekte en krijgt haar gekookte eieren met moeite weg. De hele dag varen we over open water, nergens land op de Chorne More, de Zwarte Zee, die veel groter blijkt dan ik dacht. Aan de bar betaal je het liefst in dollars en zijn ze creatief met de wisselkoers, wat dicht tegen oplichting aan schuurt. Het gezelschap is bont: naast Oekraïners en Turken zitten er Syriërs, Irakezen, Iraniërs, Azerbeidzjanen, een Noor, een Zweed en wij, de dwarsdoorsnede van wie er over deze route tussen werelden heen en weer beweegt.

De Bosporus in

Op de dag van aankomst zet ik de wekker op vijf uur; de intocht wil ik niet missen. De Turkse kust is nog nauwelijks te onderscheiden, maar als de zon opkomt liggen er supertankers en bulkcarriers te wachten. Aan beide oevers wapperen enorme rode vlaggen. Terwijl Floor zich opfrist, spot ik dolfijnen, en even later tuimelt er een hele school van dertig of veertig door de golven.

Dolfijnen aan bakboord, en ik haal Floor uit de badkamer om het niet te missen.

De Bosporus wordt zo smal dat we de auto’s op de kant zien rijden. De metropool strekt zich aan beide oevers uit, ruim twaalf miljoen mensen, met minaretten die overal de grauwe hemel in prikken. Onder de eerste brug zitten we midden in de stad; na de tweede meren we aan bij de Gouden Hoorn, met vol zicht op het Topkapı-paleis en tientallen veerboten.

Dan begint het wachten. De douane komt aan boord en verkoopt voor twintig dollar, of euro, een visum dat nonchalant uit een plastic zakje wordt uitgedeeld terwijl de stapels geld zich open en bloot op de bank ophopen. Onze paspoorten worden ingenomen, en pas na twaalven mogen we het douanegebouw in, waar één medewerker een stapel van vijfhonderd paspoorten afwerkt door telkens een naam te roepen. Wij horen bij de laatsten.

Onder de minaretten

Buiten overvalt de stad ons meteen: auto’s, kraampjes, getoeter en een hartelijke drukte. Met onze bepakte fietsen laveren we door het verkeer, telkens begroet met een vriendelijk knikje, tot we voor Hotel Tashkonak staan, pal onder de minaretten van de Blauwe Moskee. De fietsen mogen de binnentuin in. Diezelfde middag lopen we de Blauwe Moskee in, waar we worden ontvangen met “we have been waiting for you all day, please come in.” Op sokken lopen we over het zachte tapijt van de gebedsruimte, waar toeristen en gelovigen door elkaar zitten, kletsen en bidden. Waar een kerk je over je zonden laat peinzen, voelt deze moskee als een levendige ontmoetingsplaats.

De volgende ochtend zijn we vroeg, om de toergroepen voor te zijn. Om negen uur gaan we als een van de eersten de Ayasofya binnen. De ruimte onder de enorme koepel is overweldigend; bijna duizend jaar lang was dit de grootste overdekte ruimte ter wereld. Gebouwd als Byzantijnse kerk, vol christelijke mozaïeken, later door de moslims overschilderd met geometrische patronen, en nu in restauratie om de oude lagen terug te halen. Het Topkapı-paleis even verderop is een ander verhaal: het symbolische centrum van het Ottomaanse rijk verdrinkt in de toergroepen die zich langs de zalen persen. We hebben het snel gezien.

De overkant

Over de Galatabrug, tussen de tientallen vissers, steken we de Gouden Hoorn over naar Karaköy. Via steile straten komen we in een totaal andere stad terecht. Hier zijn nauwelijks toeristen, amper hoofddoeken, en de mensen zijn niet van een willekeurige Europeaan te onderscheiden. Op de volle Istiklal Caddesi rijdt een historische tram door de menigte. We hebben kleren nodig en slagen: een overhemd voor twintig lira, een T-shirt voor vijf, een broek voor veertig.

Dit deel van de stad hadden we eerder moeten kennen.

De straten hebben elk hun specialiteit. In de boekenstraat vind ik een Rough Guide maar geen fietskaart; in de fietsenstraat koop ik bidons. Tie-wraps blijken lastiger: hoe heten die in het Turks? In een lampenwinkel maakt Floor het gebaar van het dichttrekken, met geluid en al, GRRIC, waarop de man zich omdraait en precies komt met wat we zoeken. ’s Middags eet ik op de Galatabrug van de schuiten waar al deinend vis wordt gebakken, vier lira voor een visje, wat verontreinigd maar af en toe moet je het ervan nemen. ’s Avonds zitten we tussen de Turken in de barretjes van Istiklal, bij bier, wijn en een stroom voorbijgangers die niet opdroogt. Eén ding moet ik nog leren: onderhandelen. Voor twee paar sokken wil een verkoper eerst vijfentwintig lira per paar; pas als we weglopen kan het opeens voor drie. Hier moet je harder afdingen dan in China.

Praktische informatie

Aankomst over zee: De wekelijkse boot Odessa–Istanbul bestaat in deze vorm niet meer; tegenwoordig kom je per vliegtuig of over land. Het visum uit het plastic zakje is verleden tijd: sinds 2020 reizen Nederlanders visumvrij tot 90 dagen.

Sultanahmet versus Beyoğlu: Rond de Blauwe Moskee en de Ayasofya zit het toeristische hart, met bijbehorende prijzen. Aan de overkant van de Gouden Hoorn, rond Istiklal Caddesi en Karaköy, ligt het stadse, westerse Istanbul met cafés en uitgaansleven. Boek je verblijf daar als je liever tussen Istanbullu’s zit dan in een tourist trap.

Oversteken: De veerboten over de Bosporus zijn goedkoop en bieden het mooiste uitzicht op de stad. De Tünel, een van de oudste ondergrondse bahnen ter wereld, brengt je vanaf Karaköy omhoog naar Beyoğlu.

Eten en onderhandelen: Vlak bij de monumenten betaal je voor een broodje kebab een veelvoud van de prijs één straat verderop. In de bazaars en bij straatverkopers is afdingen de norm; loop gerust weg, de prijs zakt vaak hard. In winkels met prijslijst geldt dat niet.

Let op: prijzen in dit verhaal zijn van 2010 en door de inflatie volstrekt achterhaald; reken in euro’s.

Laat een bericht achter


Meer inspiratie