De Bosporus in, met dolfijnen en een visum uit een plastic zakje

Published: Updated: 0 comments

Tegen de verwachting in slapen we goed op de boot. Floor heeft ’s ochtends last van zeeziekte en krijgt haar gekookte eieren met moeite weg. De hele dag varen we over open water; nergens land op de Chorne More, de Zwarte Zee, die veel groter is dan ik dacht. Aan boord is weinig te doen behalve lezen op het zonnige bovendek, waar een briesje je laat vergeten dat je verbrandt. Aan de bar betaal je het liefst in dollars en zijn ze creatief met de wisselkoers, wat dicht tegen oplichting aan schuurt; gelukkig zijn de maaltijden inbegrepen.

Het gezelschap aan boord is bont. Naast Oekraïners en Turken zijn er Syriërs, Irakezen, Iraniërs, Jordaniërs, Azerbeidzjanen, Oezbeken, Amerikanen, Ieren, een Noor en een Zweed, en wij. We maken een paar Turkse vrienden en proberen een gesprek met een Koerd uit Irak en een Syriër, al verstaan we elkaar nauwelijks. Het is de dwarsdoorsnede van wie er over deze route tussen werelden heen en weer beweegt.

De Bosporus in

Op de dag van aankomst zetten we de wekker om vijf uur ’s ochtends; we willen de intocht niet missen. De Turkse kust is dan nog nauwelijks te onderscheiden, maar als de zon opkomt liggen er supertankers, containerschepen en bulkcarriers te wachten. De kustlijn met zijn bergen wordt scherper, aan beide oevers wapperen enorme rode vlaggen. Terwijl Floor zich opfrist, spot ik dolfijnen, en even later tuimelt er een hele school van dertig of veertig door de golven, sommige springen helemaal uit het water. De Bosporus wordt zo smal dat we de auto’s op de kant zien rijden; tegen de hellingen liggen stadjes in de inhammen. De metropool strekt zich aan beide oevers uit, ruim twaalf miljoen mensen, met minaretten die overal de grauwe hemel in prikken. Onder de eerste brug zitten we midden in de stad; na de tweede meren we aan bij de Gouden Hoorn, met vol zicht op het Topkapı-paleis, de grote moskeeën en tientallen veerboten.

Dolfijnen aan bakboord, en ik haal Floor uit de badkamer om het niet te missen.

Dan begint het wachten. De douane komt aan boord en verkoopt voor twintig dollar, of euro, een visum dat nonchalant uit een plastic zakje wordt uitgedeeld terwijl de stapels geld zich open en bloot op de bank ophopen. Onze paspoorten zijn ingenomen, maar er gebeurt urenlang niets; af en toe klinkt er een mededeling in het Oekraïens, wat de meerderheid niet verstaat. Pas na twaalven mogen we van boord, het douanegebouw in, waar één medewerker een stapel van vijfhonderd paspoorten afwerkt door telkens een naam te roepen. Wij horen bij de laatsten.

Buiten overvalt de stad ons meteen: auto’s, kraampjes, getoeter, fel zonlicht en een hartelijke drukte. Onderweg naar het hotel krijgen we voortdurend een vriendelijk knikje als we met onze bepakte fietsen door het verkeer laveren. Na twee keer de weg vragen staan we voor Hotel Tashkonak, pal onder de minaretten van de Blauwe Moskee; de fietsen mogen de binnentuin in. Na een douche en een eerste maaltijd van schapenvlees met vers brood schuilen we voor een plotselinge plensbui onder een kop koffie. Diezelfde middag lopen we door naar de Blauwe Moskee, waar we ontvangen worden met “we have been waiting for you all day, please come in”. Op sokken lopen we over het zachte tapijt van de gigantische gebedsruimte, waar toeristen en gelovigen door elkaar zitten, kletsen, bidden en de geometrische patronen bewonderen. Waar een kerk je over je zonden laat peinzen, voelt deze moskee als een levendige ontmoetingsplaats. Tussen de bazaar, een glaasje appelthee voor 2 lira en een döner van 4 lira besluiten we het: Turkije belooft veel.

Laat een bericht achter


Meer inspiratie