Om de toeristen voor te zijn staan we vroeg op. Om negen uur gaan we als een van de eersten de Ayasofya binnen, nog vóór de stroom toergroepen. De ruimte onder de enorme koepel is overweldigend; bijna duizend jaar lang was dit de grootste overdekte ruimte ter wereld. Gebouwd als Byzantijnse kerk, vol christelijke mozaïeken, later door de moslims overschilderd met geometrische patronen, en nu in langdurige restauratie om de oude lagen terug te halen. Het is het indrukwekkendste gebouw dat we ooit hebben gezien, en doordat we vroeg zijn, kunnen we dat in alle rust over ons heen laten komen.
Het Topkapı-paleis, even verderop en opnieuw twintig lira per persoon, is een ander verhaal. Het symbolische centrum van het Ottomaanse Rijk verdrinkt in de toergroepen die zich langs de zalen en relikwieën persen. Ik snap niet waarom mensen foto’s maken van toegangsbordjes en poseren voor stenen. We hebben het snel gezien. Een broodje kebab kost hier met uitzicht op de Bosporus zestien tot vijfentwintig lira, een prijs voor sjeiks; om de hoek scoren we hetzelfde voor acht.
De overkant
Over de Galatabrug, tussen de tientallen vissers, steken we de Gouden Hoorn over naar Karaköy. Via steile straten komen we in een totaal andere stad terecht. Hier zijn nauwelijks toeristen, amper hoofddoeken, en de mensen zijn niet van een willekeurige Europeaan te onderscheiden. Op de volle winkelstraat Istiklal Caddesi rijdt een historische tram door de menigte. We hebben kleren nodig en slagen: een overhemd voor twintig lira, een T-shirt voor vijf, een broek voor veertig. Dit deel van de stad hadden we eerder moeten kennen. We zitten met ons hotel midden in een tourist trap, te vol met wat Floor “niet ons soort mensen” noemt, terwijl ik dacht een rustige studio te hebben gehuurd.
Dit deel van de stad hadden we eerder moeten kennen.
De volgende dag regent het hard, dus het heeft geen zin vroeg op te staan. Bij het postkantoor stuur ik een pakket naar huis: voor achttien lira en binnen vijf minuten geregeld, met hulp en al. Na Oekraïne voelt dat als pure beschaving. De straten hebben elk hun specialiteit. In de boekenstraat vind ik een Rough Guide voor Turkije maar geen fietskaart; in de fietsenstraat, waar de winkeltjes tot de nok zijn volgeladen, koop ik een bidonhouder en twee bidons. Niet alles is even makkelijk te vragen. Tie-wraps hebben we ook nodig, maar in het Turks heten die plastic dingen anders; in een lampenwinkel maakt Floor het gebaar van het dichttrekken, met geluid en al, GRRIC, waarop de man zich onmiddellijk omdraait en precies komt met wat we zoeken.
Vis op de brug
’s Middags trek ik naar de Galatabrug, waar onder het wegdek vier schuiten liggen. Daarop wordt al deinend en in een enorme ranzigheid vis gebakken, die voor vier lira aan de massa wordt verkocht. Zo’n visje kunnen we niet laten liggen, dus we eten mee. Wat verontreinigde vis, maar af en toe moet je het ervan nemen. Aan de overkant, in Karaköy, brengt de Tünel ons omhoog naar de westerse kant van de stad. In de zijstraten van Istiklal zitten de barretjes en terrassen over meerdere verdiepingen. Tussen de Turken besteden we uren aan bier, wijn en mensen kijken; de stroom voorbijgangers droogt niet op. Om tien uur ’s avonds is de winkelstraat nog afgeladen, met overal live muziek en een publiek dat enthousiast is zonder dronken te zijn.
Eén ding moet ik nog leren: onderhandelen. Voor twee paar sokken wil een verkoper eerst vijfentwintig lira per paar, om af te dingen tot twaalf. Echt niet. Als we weglopen blijkt drie lira per paar opeens te kunnen. Hier moet je harder onderhandelen dan in China.