Uit het reisverslag van de grote reis over land, zomer 2005. Geschreven onderweg, in de woorden van mijn toenmalige ik.
In de vroege ochtend komen we aan in Ulaanbaatar. Met een paar medereizigers uit de trein gaan we naar een guesthouse, waar we eerst drie uur wachten op een kamer en daarna op water, want de leiding doet het even niet. Stinkend van de treinreis verkennen we de stad en zoeken mensen om mee de leegte in te trekken, want een jeeptocht is zo’n beetje de enige manier om het land echt te zien. We vinden twee Zwitsers en een Duitser. Daarna inkopen doen voor twee weken, want dorpen, supermarkten en pinautomaten zijn er straks niet. Betalen gaat hier met dollars en met de instabiele togrog; het gemiddelde maandinkomen ligt rond de twintig dollar, de werkloosheid is hoog, en toch voelt de stad ontspannen.
Onze route loopt van Ulaanbaatar via Erdenet, Mörön, het Khövsgölmeer, het Great White Lake, Tsetserleg en Charchorin weer terug. We rijden in een oude Sovjet-minibus, een stalen geval dat de barre wegen met gemak aankan, met zijn zessen plus chauffeur. We hebben veel pech: lekke banden, kapotte vering, een motor die telkens moet afkoelen. Alleen is dat oponthoud juist welkom, want zo zien we meer en komen we in contact met mensen. Onze chauffeur Aamaa is eersteklas: chauffeur, monteur en zanger tegelijk, spreekt een paar woorden Engels, en de rest doen we met tekeningen in het zand. Hij draait twee weken lang twee cassettes, Mongoolse muziek en top-40, en zingt uit volle borst mee.
De leegte
Mongolië is afwisselender en leger dan we voor mogelijk hielden. Bijna de hele route gaat door de steppe: kort geelgroen gras in dunne pollen, voller en donkerder in de nattere delen, overal bloemen. Bomen groeien alleen op de windluwe hellingen. Omdat alles zo kaal is kun je enorm ver kijken, waardoor juist alle besef van schaal verdwijnt. Wat schaal teruggeeft zijn de gers en de enorme kuddes vee die het landschap maken. De meren in het noorden en midden zijn zo helder dat je er zo uit kunt drinken; het noordelijke meer werkt als een spiegel, met bij zonsondergang hetzelfde beeld in het water als in de lucht.
Verhard is nauwelijks iets: ruim tweeduizend kilometer leggen we af over “hoofdwegen” die uit zand bestaan, sporen die elk jaar anders liggen, met een gang van hooguit honderd kilometer in drie uur. Slapen tijdens het rijden lukt niet door het gebonk, maar dat geeft niet, want je blijft toch naar buiten kijken.
We kunnen ons niet voorstellen dat je hier ook maar één seconde gestrest bent; je komt volledig tot rust.
Dieren en mensen
Het land staat vol kuddes van de nomaden. Hekken zijn er niet, dus schapen, geiten, paarden, koeien en yaks lopen overal vrij. Regelmatig liggen ze op de weg: de runderen negeren het getoeter en lopen snobistisch een stukje op, de schapen raken in paniek, de geiten nemen koppig de tijd. Het mooist zijn de grondeekhoorns, met miljoenen, die rechtop staan te kijken en bij de auto in paniek richting hun holen duikelen, waarbij ze over elkaar struikelen. In de lucht cirkelen zodra er thermiek is grote roofvogels: gieren, valken, buizerds, arenden, indrukwekkend als hun schaduw over de berg trekt.
Het eten is minder eentonig dan zijn reputatie: vaak schaap met rijst of pasta, weinig verse groente, aangevuld met wat we zelf koken. Water is er altijd, aangeboden door de families waar we verblijven, of zo uit de meren. Daar tussendoor het lokale bier, wodka en airag, gegiste merriemelk, waarvan het voordeel is dat er geen smaakverschil zit tussen het innemen en het eventueel weer omhoogkomen.
De mensen zijn hartelijk en nieuwsgierig. We treffen bij toeval een lokale Nadaam op het platteland: de renpaarden razen op twee meter langs ons heen, en het worstelen zien we van zo dichtbij dat we het zweet ruiken. Bij het noordelijke meer gaan de Duitser Björn en ik op sprinkhanenjacht en bakken de vangst; de Mongolen slaan dat vriendelijk af, terwijl wij dachten dat weigeren onbeleefd was. Sprinkhanen zijn overigens prima te eten, maximaal twintig seconden in de hete olie. Op een tweedaagse paardrijtocht merken onze Nederlandse kantoorlijven daarna wel dat ze er niet aan gewend zijn. Waar we ook komen, worden we uit pure nieuwsgierigheid bekeken, willen de mannen met me worstelen en hangen de kinderen aan me; ik win voorlopig alleen van een jongen van vijftien.
Praktische informatie
Route en tijd. Ulaanbaatar – Erdenet – Mörön – Khövsgölmeer – Great White Lake – Tsetserleg – Charchorin – Ulaanbaatar, ongeveer 26 juni t/m 9 juli 2005, veertien dagen.
Vervoer. Een gedeelde Sovjet-minibus (of jeep) met chauffeur is de gangbare manier om buiten de hoofdstad te reizen; delen met vier tot vijf reizigers drukt de kosten. In 2005 zo’n 250 euro per persoon inclusief alles voor twee weken.
Voorbereiding. Sla in Ulaanbaatar proviand in: onderweg zijn er nauwelijks winkels en geen geldautomaten. Betalen met dollars en togrog. Reken op onverharde sporen (100 km kost enkele uren) en op pech onderweg.
Overnachten. Kamperen bij of naast gerfamilies; water en gastvrijheid zijn er volop. Neem een goede tent mee.
Plan je reis
- Overnachten in Mongolië: vergelijk accommodaties ›
- Trein- en bustickets in Mongolië: bekijk routes op 12Go ›
- Activiteiten en excursies in Mongolië: bekijk op GetYourGuide ›
Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.
Meer uit deze reis
Een verlopen visum aan de grens bij Zamyn-Uud22 juli 2005
Met de TransMongolië Express de Gobi in21 juli 2005
Het regelwerk in Ulaanbaatar: een visum voor China20 juli 2005Plan je eigen reis door Mongolië
De reisgids bundelt alle praktische artikelen: vervoer, overnachten, geld en de beste routes.
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.