Tussen de val van het Mongoolse Rijk en de staat van vandaag liggen drie eeuwen waarin het land achtereenvolgens Chinese provincie, Sovjetsatelliet en democratie was. Die opeenvolging is op straat nog zichtbaar: het cyrillische schrift, de Sovjetbetonblokken van Ulaanbaatar, de mijnbouwkranen aan de horizon. Wie het huidige Mongolië wil begrijpen, moet die drie lagen uit elkaar halen.

Onder China, dan onder Moskou
Vanaf het eind van de zeventiende eeuw stond Mongolië onder de Chinese Qing-dynastie. Toen die in 1911 ineenstortte, riep Mongolië zijn onafhankelijkheid uit, eerst onder een boeddhistische geestelijke als wereldlijk en religieus leider. Die onafhankelijkheid was wankel, geklemd tussen een China dat het gebied wilde terugnemen en een Rusland in revolutie. Met Sovjetsteun grepen Mongoolse communisten in 1921 de macht, en in 1924 werd de Mongoolse Volksrepubliek uitgeroepen, na de Sovjet-Unie de tweede communistische staat ter wereld.
De zeventig jaar die volgden, stonden in het teken van Moskou. Het land werd een satelliet die zijn leger, zijn industrie en zijn schrift uit de Sovjet-Unie overnam: het Mongoolse alfabet werd in de jaren veertig vervangen door het cyrillische. De jaren dertig waren de donkerste periode, met stalinistische zuiveringen waarbij tienduizenden werden vermoord en vrijwel alle kloosters werden vernietigd. Tegelijk bracht de Sovjetperiode geletterdheid, scholen, ziekenhuizen en de eerste echte industrie, waaronder de kopermijn van Erdenet, een stad die rond die mijn werd gebouwd.

1990 en de mijnbouw die volgde
Toen het Sovjetblok wankelde, kwam ook in Mongolië de omslag. Begin 1990 leidden vreedzame demonstraties, hongerstakingen en groeiende druk tot het aftreden van het communistische politbureau. Anders dan op veel andere plekken verliep de overgang zonder bloedvergieten. Mongolië werd een parlementaire democratie met vrije verkiezingen en een markteconomie. De eerste jaren waren hard: de Sovjetsubsidies vielen weg, de economie kromp en veel mensen keerden terug naar het nomadenbestaan omdat er in de stad geen werk was.
Wat het land daarna veranderde, zit onder de grond. Mongolië bleek te beschikken over enorme voorraden koper, goud, steenkool en andere delfstoffen. De ontwikkeling van mijnen als Oyu Tolgoi (koper en goud) en Tavan Tolgoi (kolen) trok buitenlandse investeringen aan en koppelde de economie stevig aan de afzetmarkt in het zuiden: China. Inmiddels is mijnbouw goed voor ongeveer een kwart van het bruto binnenlands product en het grootste deel van de export.
Die rijkdom heeft het land getekend, niet altijd ten goede. De opbrengsten stromen ongelijk, de afhankelijkheid van grondstofprijzen en van China maakt de economie kwetsbaar, en de trek naar Ulaanbaatar heeft de stad doen uitdijen in gerwijken met zware luchtvervuiling in de winter. Het moderne Mongolië balanceert tussen de nomadische traditie van het achterland en een hoofdstad die op koper en kolen draait.
De stad bestaat uit Sovjetbeton met daarboven mijnbouwkranen en daaromheen wijken vol gers, drie tijdvakken die tegelijk zichtbaar zijn.