Terwijl Björn en ik ons afvragen waar de heipaal in ons hoofd vandaan komt, komt de gids te paard voorrijden. De paarden zijn vanochtend uit een halfwilde kudde in de bergen gehaald en van een kleiner type dan we kennen, waardoor we er suffig op zitten. Na een kort practicum in links, rechts, remmen en starten gaan we op pad, al luisteren de paarden nauwelijks; dat van Floor moet door de gids worden voortgetrokken.
Op halfwilde paarden
Na twee uur schittert Hövsgöl Nuur in het brede dal, azuurblauw en spiegelglad. Het ligt in dezelfde breukzone als Baikal, is tot ruim 260 meter diep en zo schoon dat je er rechtstreeks uit kunt drinken. In de winter vriest het volledig dicht, en het 120 centimeter dikke ijs vormt dan de tijdelijke hoofdweg tussen Mongolië en Rusland.
Een nacht aan het meer
We kamperen op de oostoever. Het water is te koud om in te zwemmen, maar een snelle wasbeurt is na uren te paard geen luxe. Met het zakken van de zon verdwijnt de warmte; in het wateroppervlak weerspiegelt de pastelkleurige schemering, tot het onmogelijk wordt te zien waar de lucht eindigt en het water begint.
De wollen del van onze gidsen is duidelijk van betere kwaliteit dan onze dure slaapzakken.
De nacht is zo koud dat slapen er amper bij is, terwijl de gidsen zonder slaapzak buiten liggen en volhouden dat het niet koud is; wie gewend is aan veertig graden onder nul heeft een ander referentiekader. De tweede dag te paard is een marteling voor benen en billen. Net als we besluiten te stoppen, bereiken we onze plek op een heuvel boven het water, waar ’s nachts alleen het geknabbel van reeën de volmaakte stilte onderbreekt.