Echt uitgerust word ik niet wakker. Twee zware fietsdagen laten hun sporen na. Gisteren dacht ik regelmatig dat dit de laatste keer was dat ik op een fiets zat. Maar een nieuwe dag brengt nieuwe kansen. Hier in Choma nemen we afscheid van de T1 en slaan af in noordelijke richting op de M11 naar Kafue National Park.
Ik gun ze een rondweg. Ik gun ons een wereld zonder vrachtwagens.”
Eerst pinnen en boodschappen doen. Zambia is meer dan de vorige landen een land waar cash nodig is. Choma is de provinciale hoofdstad van de Southern Province, op 1.337 meter hoogte midden op het Zambiaanse plateau. De T1 loopt dwars door het centrum, en dat merk je: containers, diepladers vol pallets onder dekzeilen, zwaarbeladen vrachtwagens met koper en zink, tankwagens. Ze persen zich door de tweebaansweg door het hart van de stad. Ik gun ze een rondweg. Ik gun ons een wereld zonder vrachtwagens.

De M11
Maar dan onze afslag. Bijna geen verkeer slaat hier af. De weg is stil. Begon ik gisteren nog een fietshater te worden, vandaag kijk ik vol energie om me heen en begroet ik iedereen die we passeren. Het is bijna 100 kilometer puur fietsplezier, met nog steeds tegenwind want die is natuurlijk niet met ons meegedraaid.
Er verschijnen steeds meer palmbomen in het landschap. Dorpen en nederzettingen met hutten staan verscholen in het groen. Uitbundige vegetatie, meer bananen en papayas. Het wordt overduidelijk tropischer.

We passeren handelsplaatsen met betonnen gebouwtjes en pretentieuze opschriften: “shopping mall” voor een pand van drie meter breed waar kleding wordt verkocht, “general store” voor een winkel met plastic en metalen artikelen, “enterprise” voor een gebouwtje waar verder niets gebeurt. Er is veel leven op straat. Opvallend: we kunnen overal rustig pauzeren zonder dat we worden omringd door een schare mensen. De mensen zijn vriendelijk en nieuwsgierig, maar laten je je ding doen. Dat voelt prettig, want het geeft het gevoel dat we geen aparte status hebben.

Dag van de arbeid
Bruisend van energie rijden we door de laatste dorpen voor onze bestemming. De vrouwen zijn prachtig gekleed, de mannen in pak met stropdas. Het is 1 mei, Dag van de Arbeid. Of gaan ze naar de kerk? Waarschijnlijk allebei.
In zuidelijk Afrika heet vrijwel elke accommodatie een lodge, ook als het gewoon een hotel is. Het woord komt uit de wildlifetraditie: een lodge is oorspronkelijk een kleinschalige verblijfplaats in of nabij de natuur. De term is inmiddels zo ingeburgerd dat ook stedelijke hotels zich lodge noemen, simpelweg omdat het beter klinkt in een regio die zich op wildlifetoerisme richt. Zo landen ook wij in een lodge, wat een heerlijk Afrikaanse plek blijkt te zijn waar fietsers als wij een hele belevenis zijn.

We mogen kiezen wat we willen eten. Ik ga voor de veilige optie: kip. Maurits laat zich verleiden tot een T-bone steak, die ook een droge platgeslagen schnitzel had kunnen zijn. Ondanks de stapels groenten die we vandaag langs de weg hebben gezien bestaan onze vitaminen uit twee kwarten tomaat. Dan maar een paar vitamine C-tabletten.