Twee dagen was het windstil, maar rond twee uur ’s nachts steekt de wind weer met al zijn geweld op; door het gieren en de klapperende voortenten is iedereen wakker. Ze kennen hier twee windrichtingen: links of rechts, en het is wachten tot hij draait. Wat hier “wind” heet, zouden wij in Nederland een flinke storm noemen. Voor duizenden kilometers is er niets om de wind te breken: geen bergen, geen bossen. Je hoort hem als golven in de lucht aankomen denderen, en terwijl de ene golf je raakt, hoor je de volgende al.
Australië heeft twee grote nadelen: wind en vliegen. Waait het niet, dan zijn er duizenden vliegen; waait het wel, dan niet. De lucht blijft intussen stralend blauw; hier tel je makkelijker de dagen mét wolken. Om uit de wind te zijn lopen we naar het strand, waar we dan weer geen schaduw hebben; er is altijd wel wat. Met de verrekijker zien we beweging in het water: een dugong, bruin, traag, met een staart als die van een zeeleeuw. Wat volgt is de “chase for the dugong”: ik zwem wat ik kan, Floor wijst vanaf het strand, naar links, nee naar rechts, maar door de ruige zee en mijn slechte zicht zonder bril mis ik hem op tien meter.
Voor duizenden kilometers is er niets om de wind te breken; je hoort hem als golven in de lucht aankomen.
Verder in de serie
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.