Niet alle dagen op reis zijn leuk. Dit is er zo een.
Over iets meer dan twee weken moeten we in Lusaka zijn en van Livingstone is het ongeveer 450 kilometer over de T1, de hoofdweg die tegelijk de verbinding vormt met Zimbabwe, Botswana en Namibië. We rijden hem niet helemaal af: bij Kalomo willen we eraf, voor een rustiger route naar Kafue National Park. Vandaag betekent dat 110 kilometer naar een camping twintig kilometer voor Kalomo.
Livingstone
We fietsen dwars door Livingstone. De stad ontstond in 1905, een jaar nadat de brug klaar was, en was tot 1935 de hoofdstad van Noord-Rhodesië. De koloniale gebouwen uit die tijd staan er nog langs de hoofdstraat, met daartussen markten, winkels en druk verkeer.
In de droge tijd, als water schaars wordt, trekken de olifanten vanuit Mosi-oa-Tunya National Park de stad in, op zoek naar de tuinen van de mensen. Dat kost in Livingstone jaarlijks vijf tot tien mensen het leven.
Moeilijk voor te stellen, midden in dit stadse gewoel, dat olifanten hier elk jaar de straat op lopen.

Wind uit het noordoosten
Na Livingstone zeggen we de Zambezi vaarwel. De weg klimt van de rivier op zo’n 900 meter naar het Zambiaanse plateau op 1.100, dus de eerste kilometers gaan er meteen in. De wind komt uit het noordoosten, net als in Namibië en Botswana, en daarbij komt een eindeloze stroom zware vrachtwagens uit beide richtingen. Enig voordeel: aan beide kanten van de tweebaansweg liggen brede vluchtstroken.
We zijn niet de enige fietsers. In Namibië werd er gelopen, hier wordt gefietst. Niet voor de sport maar voor vervoer, en wat ze op die krakkemikkige fietsen stapelen en dan nog voortbewegen is indrukwekkend. Een flinke slag in het wiel: maakt niet uit. Geen remmen: maakt ook niet uit. Een lekke band wordt ter plekke geplakt, en iedereen heeft een pomp bij zich. Onze fietsen worden met bewondering bekeken. De eeuwige vraag wat zo’n fiets kost probeer ik standaard te negeren; ik ga toch geen eerlijk antwoord geven.

Het landschap wordt groener naarmate we verder komen. Hoge gele bloemen langs de weg, akkers met zonnebloemen, en gierst die geoogst is maar waarvan de stronken nog staan te verdrogen. De huizen en hutjes staan hier niet aan de weg. De meeste dorpen zien we niet eens, maar we weten dat ze er zijn omdat er verse groenten worden verkocht, en veel vaker grote zakken houtskool waarmee wat geld te verdienen valt.
Drie keer
Het nadeel van die vluchtstrook is dat het een glasbak is. Bijna overal ligt glas: flessen die uit auto’s zijn gegooid, restanten van ongelukken. Ik snap niet waar het allemaal vandaan komt, alsof iedereen hier elke dag opnieuw glas komt dumpen. Daarbij stukken autoband vol ijzerdraad, en doornstruiken langs de kant. Een perfect recept, en het werkt: niet één, niet twee, maar drie lekke banden op deze ene weg.

De lekke banden zijn de druppel. Wat me echt ontregelt is de tegenwind, en vooral de vrachtwagens die uren achter elkaar langs blijven denderen. Aan het eind van de dag ben ik er mentaal doorheen. We slapen in een beschut bos, ingeklemd tussen de koeien die er net zo goed menen te mogen overnachten.
Foto’s uit dit verhaal
Meer foto’s uit Zambia ›




Waar deze dag ligt
Fietsreis door zuidelijk Afrika, nu in Zambia. Bekijk de hele route ›
Verder in de serie
Naar het reisoverzicht ›
‹ Vorige aflevering54. Hoog boven de Victoria Falls
Volgende aflevering ›56. Het afzien gaat door tot ChomaSpring naar een andere aflevering
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.