Home AfrikaZambia190 km tegenwind en vrachtwagens

190 km tegenwind en vrachtwagens

by Jeroen Kleiberg
Published: Updated:

190 kilometer over de T1, de hoofdweg van Livingstone naar Lusaka, verdeeld over twee dagen. We rijden niet de hele weg naar Lusaka, maar tot Choma, vanwaar we de T1 kunnen verlaten voor een rustiger route naar Kafue National Park. Het alternatief is de rest van de reis op de drukste vrachtroute van Zambia blijven. Dat doen we niet langer dan strikt nodig.

Livingstone

We fietsen dwars door Livingstone. De stad ontstond in 1905, een jaar nadat de Victoria Falls Bridge was voltooid, en was van 1911 tot 1935 de hoofdstad van Noord-Rhodesië, het huidige Zambia. Sindsdien is Lusaka de hoofdstad, maar Livingstone heeft zijn positie als toeristische hoofdstad van het land stevig verankerd. De koloniale gebouwen uit de Edwardiaanse periode staan er nog langs de hoofdstraat; daartussen markten, winkels en druk verkeer. De stad telt inmiddels ruim 177.000 inwoners.

Moeilijk voor te stellen, midden in dit stadse gewoel, dat olifanten hier elk jaar de stad binnenlopen. In de droge tijd, als water schaars wordt, trekken ze vanuit Mosi-oa-Tunya National Park de woonwijken in op zoek naar tuinen en fruitbomen. De wijk Dambwa South, die direct aan het park grenst, heeft er het meest last van. Alleen al in Livingstone vallen jaarlijks vijf tot tien doden door confrontaties met olifanten. Mens en dier delen hier letterlijk dezelfde straat.

Moeilijk voor te stellen, midden in dit stadse gewoel, dat olifanten hier elk jaar de stad binnenlopen.

Na Livingstone zeggen we de Zambezi vaarwel en fietsen omhoog. De weg klimt van de rivier omhoog naar het Zambiaanse plateau, dat gemiddeld op zo’n 1.100 meter ligt. De Zambezi-vallei ligt op zo’n 900 meter, dus de eerste kilometers gaan er meteen in. De wind komt overwegend uit het noordoosten, wat al zo was in Namibië en Botswana. Met daarbij een eindeloze stroom zware vrachtwagens uit beide richtingen.

Zambiaanse fietsers

We zijn niet de enige fietsers. In Namibië werd er veel gelopen, hier wordt er gefietst. Niet voor de sport, maar voor het vervoer van goederen. Een flink slag in het wiel, maakt niet uit. Geen remmen, maakt ook niet uit. Een lekke band wordt ter plekke geplakt; iedereen heeft een fietspomp bij zich. Als collega’s begroeten we elkaar met een enthousiaste zwaai. Onze fietsen worden met bewondering bekeken. De eeuwige vraag wat ze kosten negeren we standaard.

De vegetatie wordt uitbundiger naarmate we verder rijden. Hoge gele bloemen langs de weg. Akkers met zonnebloemen. De gierst is geoogst; de stronken staan nog te verdrogen in de zon. De dorpen liggen niet direct langs de weg. We rijden er vaak langs zonder ze te zien, maar weten dat ze er zijn: soms staan er mensen verse groenten te verkopen, vaker grote zakken houtskool. Dan weer een paar kraampjes met identieke stapels felrode tomaten, rode uien, zoete aardappelen en limoenen.


De vluchtstroken aan weerszijden van de tweebaansweg zijn breed genoeg om veilig te rijden, maar ze liggen vol glas. Flessen die uit auto’s worden gesmeten, restanten van ongelukken. Ik snap niet waar al dit glas vandaan komt. Daarbij liggen er stukken autobanden vol ijzerdraad en staan er doornstruiken langs de kant. Een perfect recept voor lekke banden: drie keer in twee dagen. De eerste nacht slapen we in een beschut bos, ingeklemd tussen de koeien die er net zo goed menen te mogen overnachten. De volgende ochtend beginnen we opnieuw.

De simkaart in Kalomo

Kalomo is een handelsplaats halverwege de route: open vrachtwagens die wachten op vracht en mensen, kledingwinkels, kleine hokjes in blauw, geel en rood waar je je prepaid sim kunt opladen. Mijn eSIM van Bunq zou hier moeten werken. Dat blijft theorie.

We vragen rond en komen terecht op een stoffig plein met een witte partytent. Daaronder een tafel, rode plastic stoelen en zes jonge mensen in gele jasjes van MTN, de telecomprovider. Ja, hier kunnen we een simkaart kopen. Wat volgt is een aanvraagproces waarbij vier mensen betrokken zijn. Foto van het paspoort, foto van ons gezicht, gegevens invoeren. De eerste poging mislukt omdat we geen Zambianen zijn. De tweede omdat het ID-nummer niet overeenkomt met de foto van het ID. De derde keer is het raak, maar dan zitten we al een uur op dit plein.

Een uur lang staat hij erbij en niemand maakt zich druk.”

Rondom ons: speakers op maximaal volume, een zwerver die in de afvalberg zoekt naar iets eetbaars, en een zonderling in te warme kleren die in een onverstaanbare taal iets wil vertellen en ondertussen de handvatten van Maurits’ fiets bewonderend betast. Een uur lang staat hij erbij en niemand maakt zich druk. De mensen van MTN ook niet. Ze nemen de tijd en zorgen dat het goed komt. In onze cultuur is een uur verspillen aan bureaucratie een recept voor hoge bloeddruk. Hier maakt niemand zich druk. Komt het niet nu, dan wel straks.

Nu we weer online zijn fietsen we eerst nog wat eten bij elkaar. Een take-away langs de weg. Op de vraag of ze iets te eten hebben is het eerste antwoord ontkennend. Dan toch: gierstpap, lokaal nshima genoemd. Ze denken blijkbaar dat we dat niet lusten. In een paar bakken ook een groentenprut van aubergines en rauwe kool. En zelfs een worst. Met een volle maag trappen we in vier uur de laatste kilometers richting Choma weg.

Aan het einde van de tweede dag komen we aan in een comfortabel hotel in Choma. Hier verlaten we de T1. Twee dagen harde tegenwind en vrachtwagenterreur vreten aan je. Mentaal verkracht door al het geraas. Het hotel heeft een bed, een douche en stilte. Tijdens het eten dringt vrolijk gospelgezang door vanuit de naastgelegen kerk. Meer hebben we niet nodig.

Laat een bericht achter


Meer inspiratie