De dolmuş naar Sungurlu vertrekt voor het hotel, dus we zetten onze tassen vast in de bus en ontbijten rustig op het terras. De hotelrekening valt met honderdzeventig lira tegen, want de prijs van het eten bleek nogal aan inflatie onderhevig. We delen de bus met twee Tsjechen. Onderweg is het oogsttijd: oogstmachines en tractoren werken de graanvelden af, terwijl ouderen vegen wat van de wagens op de weg valt. Het stro ligt in balen op het land, in mooie patronen.
Omdat de Tsjechen ook naar Amasya gaan, laten we ons met z’n vieren bij een servicestation afzetten om op de doorgaande bus te wachten. Geen enkele stopt, tot na anderhalf uur blijkt dat we beter via Çorum kunnen rijden. Daar missen we de aansluiting met twee minuten, juist omdat de bussen hier stipter vertrekken dan de NS. Er wordt snel gebeld, en met een busje worden we in een noodvaart naar de wachtende bus gebracht, die ons voor vijf lira naar Amasya brengt. Het landschap is boomloos, op een rij populieren na, met graan en zonnebloemen en geen spoor van bewoning.
Een stad in een kloof
We rijden door een smalle opening tussen de bergen en komen in een nauwe kloof, waar Amasya aan weerszijden van de rivier ligt uitgespreid. We worden afgezet ter hoogte van de tombes in de rotswand, precies op de goede plek. Naast de grote moskee vinden we een terras waar de jonge ober zich zorgen maakt omdat hij geen Engels spreekt, tot hij merkt dat we goed zijn in het combineren van een paar woorden Turks en gebaren. We nemen een basic kamer voor vijftig lira, met een badkamer die groter is dan de kamer zelf.
Amasya is een mooie stad. Loodrechte rotswanden begrenzen het smalle dal, met Ottomaanse huizen aan de voet en kale, rauwe bergen tot tweeduizend meter erboven. We struinen door de smalle straten, waar al toeterend een minitrein langs de spoorlijn rijdt, en lopen via oude trappen naar een van de tombes in de wand.
Een van de koningstombes in de rotswand wordt tegenwoordig bewoond door een zwerver.
Aan de hoeveelheid kapotgeslagen glas te zien lust deze bewoner graag een biertje. Een andere bewoner is een hagedis van een centimeter of twintig, die voor Floors voeten wegschiet, en er bloeien cactussen tegen de rots. ’s Avonds verandert Amasya in een gezellige stad: de halve boulevard is afgesloten voor verkeer, mensen flaneren met een ijsje langs de rivier, de tombes zijn smaakvol aangelicht en aan het water wordt live muziek gemaakt. Voor het eten belanden we op een soort openluchtfoodcourt, met als enige nadeel dat overal hetzelfde wordt verkocht.