Het Ottomaanse rijk was meer dan zes eeuwen lang een van de machtigste staten ter wereld. Op zijn hoogtepunt strekte het zich uit over drie continenten, van de Balkan tot Noord-Afrika en het Midden-Oosten. De sporen ervan bepalen nog altijd het straatbeeld van veel Turkse steden.
Opkomst en verovering van Constantinopel
Het rijk ontstond rond 1300 als een klein Turks vorstendom in het noordwesten van Anatolië, onder een leider genaamd Osman, naar wie de dynastie (Osmanen, verbasterd tot Ottomanen) is genoemd. In de eeuw daarna breidden de Ottomanen zich uit over Anatolië en de Balkan. Het beslissende moment kwam in 1453, toen sultan Mehmet II Constantinopel veroverde en daarmee een einde maakte aan het Byzantijnse rijk. De stad werd de hoofdstad van het rijk, en de Hagia Sophia werd omgebouwd tot moskee.
Het hoogtepunt
Onder Süleyman de Grote, die regeerde van 1520 tot 1566, bereikte het rijk zijn grootste omvang en bloei. De Ottomanen beheersten de heilige steden van de islam, controleerden de handelsroutes tussen oost en west, en stonden tweemaal voor de poorten van Wenen. Het bestuur was gebaseerd op een tolerantie die voor zijn tijd opmerkelijk was: christelijke en joodse gemeenschappen mochten onder eigen wetten leven binnen het zogeheten millet-stelsel, in ruil voor belasting en loyaliteit. Daardoor bleef het rijk eeuwenlang een lappendeken van volken en geloven.
Steden als Safranbolu en Amasya groeiden in deze periode als handels- en bestuurscentra. De karakteristieke Ottomaanse koopmanshuizen, de konak van hout en vakwerk, die er nog staan, dateren grotendeels uit de bloeitijd van die handel.
Verval en einde
Vanaf de zeventiende eeuw verloor het rijk geleidelijk terrein. Militaire nederlagen, economische achterstand op het opkomende West-Europa en nationalistische opstanden in de Balkan brokkelden het gebied af. In de negentiende eeuw werd het rijk de “zieke man van Europa” genoemd, een macht in verval waarvan de grote mogendheden de erfenis verdeelden.
De genadeslag kwam met de Eerste Wereldoorlog, waarin het rijk aan de kant van Duitsland vocht en verloor. In dezelfde periode vonden de massale deportaties en moorden op de Armeense bevolking plaats. Na de oorlog werd het overgebleven gebied grotendeels door de geallieerden bezet, en het vredesverdrag werd door veel Turken als een vernedering ervaren. Die vernedering vormde de voedingsbodem voor de nationalistische beweging die het rijk zou vervangen door een republiek.
De Ottomaanse koopmanshuizen van Safranbolu staan er nog, maar het rijk dat ze bouwde viel uiteen onder de naam “de zieke man van Europa”.