Met de rugzak is het verlaten van het hotel een stuk lichter werk. In onze straat wordt het witgoed alweer naar buiten gezet voor een nieuwe dag handel. Met de metro gaan we naar de otogar, wat niet meevalt, want kaarten en wegwijzers ontbreken vrijwel, waarschijnlijk bewust, om aanslagen van de nog altijd actieve PKK te bemoeilijken. Bij een van de honderdvijftig loketten kopen we een kaartje naar Sungurlu.
Door het chaotische verkeer verlaten we Ankara, met zijn vier en een half miljoen inwoners, en rijden we een bijzonder kaal en leeg landschap in. De ruige bergen brokkelen af waar je bij staat, de rotsen zijn zo rood als de Australische outback, bomen groeien er amper en we passeren zoutmeren. Het is een groot verschil met het vruchtbare Oekraïne; dorpen liggen ver uiteen en daartussen is niets. Met de fiets zouden we hier nooit zijn gekomen, dus het busreizen heeft ook zijn voordeel.
Yok problem
Bij een servicestation bij Sungurlu worden we afgezet; we moeten nog verder naar Boğazkale. De taxichauffeur meldt ons prompt dat er “problems” zijn: “with dolmuş problem, no dolmuş today”. We zijn niet van gisteren en lopen stug door met “dolmuş, yok problem”.
Yok problem, zeggen wij, en we lopen door langs de taxichauffeur met zijn plotselinge dolmuş-problemen.
Het blijkt dat we naast een teruggekeerde Turkse gastarbeider staan met een onvervalste Twentse tongval, die zijn eigen winkeltje heeft. Hij brengt ons in zijn auto naar de dolmuşhalte anderhalve kilometer verderop, waar inderdaad geen enkel probleem is om naar Boğazkale te gaan; we moeten alleen wachten tot er genoeg passagiers zijn. Dat duurt, want telkens als iedereen zit, moet er nog iemand iets kopen, naar het toilet, of blijkt er een neef van de chauffeur onderweg. Na een half uur rijden zijn we er, voor drie lira. Een kamer kost dertig lira. Als de taxichauffeur even later een nieuw slachtoffer komt afleveren en ons ziet zitten, lacht hij en schudt hij ons de hand; een buschauffeur zou ook mooi gek zijn die zijn eigen handel om zeep helpt.
Onderweg blijft er genoeg te zien. In de bus stappen drie jongens in identieke overhemden die elk een ander type maïs verkopen: geroosterd, gekookt, en korrels in een bekertje. Langs de weg staan tientallen kraampjes met honderden kistjes meloenen, en daarna de eerste zonnebloemvelden en graanvelden waar volop wordt geoogst. ’s Avonds krijgen we van de hoteleigenaar een bosje kikkererwten, vers van de plant, om te pellen en op te eten.