Home AfrikaSenegal35 kilometer en duizend handdrukken

35 kilometer en duizend handdrukken

by Jeroen Kleiberg
Published: Updated:

We zijn gewaarschuwd: de weg richting Bignona is slecht, druk en gevaarlijk, en de dag ervoor stond er veel wind. We verwachten een zware ochtend. In Abené kopen we een pot chocoladepasta en een paar stokbroden voor onderweg en vertrekken kort na zonsopkomst. Het is koel en windstil.

Bert op een Avaghon

De weg is inderdaad slecht: kuilen, gaten, oneffenheden. Met de fiets valt het mee; je laviert er gewoon omheen. De drukte neemt gaandeweg af. We passeren kleine dorpen met stoffige straten en huizen gegroepeerd rond grote baobabs. Schoolkinderen geven ons een hand bij het passeren, vaak met een kleine buiging erbij. Op straat roept vrijwel elk kind dat ons ziet loulou. Veel blanken komen hier niet.

Plots komt ons een andere fietser tegemoet. We stoppen voor een praatje. Hij is Nederlander en fietst in noordelijke richting, op weg naar Abené om een boot te nemen naar Cap Skirring. Dan valt het kwartje: dit is Bert, die we in 2020 in Oman hebben ontmoet, vlak voordat corona de wereld stillegde. Zijn truck stond jarenlang vast in Jeddah en is uiteindelijk verkocht. Nu fietst hij weer, op dezelfde Avaghon-fiets als wij. We gaan ieder een andere kant op.

Het landschap verandert langzaam. Reusachtige stammen met dikke wortels, baobabs, palmen, mango-, sinaasappel- en citroenbomen. Vogels zijn overal; vliegtuigen horen we hier niet. Op een varaan na zien we geen andere dieren.

Welkom in Balinghore

De laatste kilometers fietsen we over een rode zand-gravelweg langs rijstvelden naar Balinghore, het dorp waar Ibrahim vandaan komt. We zijn uitgenodigd om te overnachten bij Avance, een goede vriend of familielid van hem. Als we het dorp binnenrijden, wordt er al gezwaaid. Bij aankomst verschijnt een grote groep mensen om handen te schudden. Wie precies wie is, is volstrekt onduidelijk.

Avance blijkt geen broer van Ibrahim, maar iets anders: neef, goede vriend, familie in bredere zin. Veel mensen heten Diallo. Dat is geen achternaam zoals wij die kennen, maar verwijst naar de familie- of etnische groep waartoe iemand behoort. In Senegal zeggen zulke familienamen iets over afkomst, sociale positie en onderlinge relaties. Ook aan ons wordt gevraagd hoe we heten. Onze namen maken weinig indruk, maar het gesprek is meteen persoonlijk. Er is een constante stroom van vrouwen, kinderen, mannen en dorpsoudsten die in en uit lopen. Wie waar woont of hoe de onderlinge verwantschappen precies in elkaar steken, blijft vaag.

Er wordt Frans gesproken, en in hoog tempo. Een neef die goed Engels spreekt fungeert als tolk. We maken een wandeling door het dorp en lopen naar het water. Het landschap is nu groen en vruchtbaar; vanaf april of mei droogt het grotendeels op en wacht men op de regentijd zodat de rijst weer kan groeien.

De mooiste kamer

We krijgen de mooiste kamer, met een groot houten bed. We hebben het vermoeden dat veel in dit huis is gefinancierd door familieleden in het buitenland, onder wie Ibrahim. Het eten laat lang op zich wachten. Zo lang dat we beginnen te twijfelen of er nog gegeten wordt. Via WhatsApp neem ik contact op met Ibrahim. Er volgt een kleine interventie en rond negen uur wordt het eten geserveerd. We eten op de slaapkamer. Het plafond van het golfplaten dak is bekleed met doeken. Aan de andere kant van de muur slaapt Avance’ vrouw op de grond; ze is net teruggekeerd uit het ziekenhuis met hun pasgeboren zoon.

Laat een bericht achter


Meer inspiratie