
We zijn gewaarschuwd: de weg richting Bignona is slecht, druk en gevaarlijk, en de dag ervoor stond er veel wind. We verwachten een zware ochtend. In Abené kopen we een pot chocoladepasta en een paar stokbroden voor onderweg en vertrekken kort na zonsopkomst. Het is koel en windstil.

Bert op een Avaghon
De weg is inderdaad slecht: kuilen, gaten, oneffenheden. Met de fiets valt het mee; we laveren er gewoon omheen. De drukte neemt gaandeweg af. We passeren kleine dorpen met stoffige straten en huizen gegroepeerd rond grote baobabs. Schoolkinderen geven ons een hand bij het passeren, vaak met een kleine buiging erbij. Op straat roept vrijwel elk kind dat ons ziet loulou. Veel blanken komen hier niet.
Plots komt ons een andere fietser tegemoet. We stoppen voor een praatje. Hij is Nederlander en fietst in noordelijke richting, op weg naar Abené om een boot te nemen naar Cap Skirring. Dan valt het kwartje: dit is Bert, die we in 2020 in Oman hebben ontmoet, vlak voordat corona de wereld stillegde. Zijn truck stond jarenlang vast in Jeddah en is uiteindelijk verkocht. Nu fietst hij weer, op dezelfde Avaghon als wij. We gaan ieder een andere kant op.
Het landschap verandert langzaam. Reusachtige stammen met dikke wortels, baobabs, palmen, mango-, sinaasappel- en citroenbomen. Vogels zijn overal; vliegtuigen horen we hier niet. Op een varaan na zien we geen andere dieren.

Welkom in Balinghore
De laatste kilometers fietsen we over een rode zand-gravelweg langs rijstvelden naar Balinghore, het dorp waar Ibrahim vandaan komt. Ibrahim woont in Nederland en is getrouwd met een collega van mij; zo kennen we elkaar. Via hem zijn we uitgenodigd om te overnachten bij Avance, die hij als familie beschouwt. Als we het dorp binnenrijden, wordt er al gezwaaid. Bij aankomst verschijnt een grote groep mensen om handen te schudden.
Wie precies wie is, is volstrekt onduidelijk.
Avance blijkt geen broer van Ibrahim, maar iets anders: neef, goede vriend, familie in bredere zin. Veel mensen hier heten Diallo, een naam die je van Senegal tot Guinee tegenkomt en die eerder verwijst naar de Fula-bevolkingsgroep dan naar een gezin. Ook aan ons wordt gevraagd hoe we heten. Onze namen maken weinig indruk, maar het gesprek is meteen persoonlijk. Er is een constante stroom van vrouwen, kinderen, mannen en dorpsoudsten die in en uit lopen. Wie waar woont, blijft vaag.

Er wordt Frans gesproken, en in hoog tempo. Een neef die goed Engels spreekt fungeert als tolk. We maken een wandeling door het dorp en lopen naar het water. Het landschap is nu groen en vruchtbaar; vanaf april of mei droogt het grotendeels op en wacht men op de regentijd zodat de rijst weer kan groeien.

De mooiste kamer
We krijgen de mooiste kamer, met een groot houten bed. We hebben het vermoeden dat veel in dit huis is gefinancierd door familieleden in het buitenland, onder wie Ibrahim. Het eten laat lang op zich wachten. Zo lang dat we beginnen te twijfelen of er nog gegeten wordt. Via WhatsApp neem ik contact op met Ibrahim in Nederland. Er volgt een kleine interventie en rond negen uur wordt het eten geserveerd.
We eten op de slaapkamer. Het plafond van het golfplaten dak is bekleed met doeken. Aan de andere kant van de muur slaapt Avances vrouw op de grond; ze is net teruggekeerd uit het ziekenhuis met hun pasgeboren zoon.
Foto’s uit dit verhaal
Meer foto’s uit Senegal ›




Waar deze dag ligt
Fietsreis door Senegambia, nu in Senegal. Bekijk de hele route ›
Verder in de serie
Naar het reisoverzicht ›Spring naar een andere aflevering
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.

