Alle Russische wegen leiden naar Moskou, maar als op één bord zowel Helsinki als Moskou staat, klopt er iets niet. We keren en rijden voor de tweede keer dwars door Sint-Petersburg om de M10 te vinden, de bijna 700 kilometer lange weg naar Moskou. Net buiten de stad houdt de GAI, de verkeerspolitie, ons aan: 25 kilometer te hard door een dorp dat ons niet is opgevallen, tenzij ze die vervallen schuur bedoelen. Omdat ik rijd, moet ik mee. Terwijl de achterblijvers al scenario’s van arrestatie en deportatie bedenken, kom ik terug voor honderd roebel (drie euro). Zodra we doorrijden, zien we de agent de bon verscheuren en de snippers uit het raam gooien. We worden die dag drie keer aangehouden: één keer voor de autoverzekering, één keer puur uit nieuwsgierigheid, en één keer voor die snelheid. Thuis waren we gewaarschuwd voor corrupte agenten, maar in de praktijk loopt het anders en geven al die posten ons eerder een veilig dan een onveilig gevoel.

Veliky Novgorod
De weg is saai en kaarsrecht door een uitgestrekt moeras, waar de eentonigheid van berken en dennen af en toe wordt onderbroken door een armoedig lintdorp met verzakte houten huizen. We willen overnachten in Veliky Novgorod, de oudste stad van Rusland, met een ommuurde vesting, kerken met koepels en een vier meter hoge Lenin die nog fier overeind staat. Maar van de camping is niets over en het enige hotel valt buiten ons budget, dus rijden we door. Een plek voor de tent is niet te vinden.
Elke zijweg loopt dood in het moeras en elk modderig dorp wordt bewoond door dronkaards in militaire uniformen.
Moskou
In het donker belanden we bij een truckstop, waar ze ons hartelijk uitlachen als we onze tent op het grasje tussen de vrachtwagens willen zetten. Ondanks de dieseldampen, de muggen en de regen staan we er goed, voor twee euro. De volgende dag is meer van hetzelfde, tot het moeras plaatsmaakt voor glooiend cultuurland en het toenemende verkeer met zijn politieposten een grote stad aankondigt. Moskou wordt ontsloten door vier ringwegen; we nemen de derde naar het oostelijke Izmaylovo, naar een hotel dat voor de Spelen van 1980 werd gebouwd: vier identieke torens met samen 7.500 kamers, bij de opening het grootste hotel ter wereld en dat tot ver in de jaren negentig. Onze kamer ligt op de 23e verdieping, mét bad, voor vijftig euro de nacht, goedkoop voor Moskou. Het is van het type vergane glorie, maar na al die regen en muggen klagen we niet.
Meer Sovjet dan dit krijg je het bijna niet. De torens lijken zo op elkaar dat we na het eten en de borrel onze eigen kamer niet terugvinden en in de verkeerde toren blijken te zoeken. Op elke verdieping zwaait bovendien een strenge dezjoernaja de scepter, de etagejuffrouw die de sleutels beheert en bijhoudt wie er in- en uitloopt, een instituut uit de Sovjettijd. Hier eindigt het eerste deel van de reis: tot Moskou kwamen we met de auto. We laden de Bluebird uit en halen uit alle spullen wat vanaf hier in onze rugzakken mee de wereld rond gaat; de rest blijft in de auto, die met Martin en Brent doorrijdt naar de Oekraïne. Vanaf hier gaan Floor en ik verder per trein. De kaartjes hebben we al; als we het station gaan verkennen om te zien waar en hoe het werkt, komen we erachter dat we niet overmorgen maar morgen al vertrekken.
Verder in de serie
‹ Vorige aflevering6. Sint-Petersburg: gaten in de weg, marmer onder de grond7 juni 2005
Volgende aflevering ›8. Eén dag Moskou: marmeren metro en een herbouwde kathedraal10 juni 2005Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.