Het is een vreemde gedachte op de lege steppe: vanuit dit dunbevolkte land werd in de dertiende eeuw het grootste aaneengesloten rijk gesticht dat ooit heeft bestaan. De man achter die expansie, Chinggis Khan, is in Mongolië alomtegenwoordig. Zijn naam staat op de luchthaven, het bier, de wodka en het centrale plein van Ulaanbaatar. Voor de communistische tijd was die verering verboden; nu is hij het symbool van de natie.

Van verdeelde stammen naar wereldrijk
Chinggis Khan werd rond 1162 geboren als Temüjin, de zoon van een stamhoofd. Na een jeugd vol tegenslag wist hij de rivaliserende stammen van de steppe te verenigen, waarna een vergadering van leiders hem in 1206 uitriep tot Chinggis Khan, ongeveer te vertalen als universele heerser. Dat jaar geldt als de stichting van de Mongoolse staat.
Zijn kracht zat niet alleen in verovering maar in organisatie. Hij hervormde het leger tot een systeem van eenheden van tien, honderd en duizend man, dwars door de oude stamverbanden heen, en bouwde een berichtensysteem van ruiterposten, de yam, dat boodschappen razendsnel over enorme afstanden bracht. De Mongoolse ruiters waren mobiel, gedisciplineerd en meedogenloos tegen wie zich verzette, maar tolerant tegenover wie zich overgaf, inclusief godsdienstvrijheid voor onderworpen volken.
Onder Chinggis en zijn opvolgers strekte het rijk zich op zijn hoogtepunt uit van Korea tot aan de poorten van Europa en het Midden-Oosten. Zijn kleinzoon Kublai Khan veroverde China en stichtte de Yuan-dynastie. Het rijk maakte het reizen over de zijderoute relatief veilig, een periode die wel de Pax Mongolica wordt genoemd, waarin handel, ideeën en helaas ook de pest zich over het continent verspreidden.

Karakorum en het verval
De hoofdstad werd Karakorum, gesticht in de centrale steppe. Het was kort een kosmopolitisch centrum waar gezanten, handelaren en ambachtslieden uit het hele rijk samenkwamen. Lang heeft die rol niet geduurd: Kublai Khan verlegde het machtscentrum naar Peking, en Karakorum verviel. In de zestiende eeuw gebruikten monniken de stenen ervan voor de bouw van het klooster Erdene Zuu, dat er nu nog staat. Van de oude hoofdstad zelf is bovengronds vrijwel niets over, alleen een vlakte met een enkel restant.
Het rijk was te groot om bijeen te blijven. Het viel uiteen in deelrijken die elk hun eigen weg gingen en op den duur opgingen in de culturen die ze hadden veroverd. Tegen de zeventiende eeuw was Mongolië zelf weer een verdeeld gebied van stammen, dat geleidelijk onder controle van de Chinese Qing-dynastie kwam. De stap van wereldrijk naar Chinese provincie was daarmee voltooid, en het zou tot de twintigste eeuw duren voor Mongolië opnieuw een eigen staat werd.
Op de vlakte bij Kharkorin staat een klooster van kloostermuren met stupa’s, gebouwd uit de stenen van een hoofdstad waarvan verder niets rechtop is blijven staan.