We fietsen ’s ochtends vroeg naar Wat Phu Champasak, een oud Khmer-tempelcomplex op de overgang van de riviervallei naar de voet van de bergen. Veel is het niet meer dan indrukwekkende ruïnes, maar de bouwtechniek is bijzonder: grote stenen die nog steeds perfect in elkaar passen. Het complex is hindoeïstisch van oorsprong en later boeddhistisch geworden, en een oude koninklijke weg verbond het ooit met zijn veel bekendere tegenhanger in Cambodja, Angkor bij Siem Reap. Het hoort tot de hoogtepunten van Laos, en toch zijn we de eerste uren de enigen.
Een van de hoogtepunten van Laos, en de eerste uren hebben we het complex helemaal voor onszelf.
Het museum en de terugweg
Voor het eerst deze reis bezoeken we een museum, door Japan gefinancierd en ingericht om de beelden te beschermen. De Japanse aanwezigheid valt op in Laos, net als eerder in Mongolië: ook de bussen die hier rijden, reden ooit in Japan. Op de terugweg eten we langs de weg een noedelsoep en passeren we een christelijke begraafplaats met Laotiaanse graven, opvallend in een land waar bijna iedereen boeddhistisch is en dus wordt gecremeerd. Mijn fietsketting springt er onderweg telkens af, zodat ik met Floor achterop in de hitte terugrijd en de tweede fiets aan de hand meeneem.