
Uit het reisverslag van de grote reis over land, oktober en november 2005. Geschreven onderweg, in de woorden van mijn toenmalige ik.
We zitten inmiddels twee weken in Laos. Na een paar rustige dagen in de hoofdstad Vientiane zijn we langzaam naar het zuiden gezakt. Het noorden slaan we bewust over: liever een klein deel goed dan een groot deel half, en we ontmoeten te veel reizigers die overal haast hebben. Van Vientiane gaat het met de bus naar Tha Khaek, en verder zuidwaarts naar Pakse, van waaruit we de jungle in trekken: Tat Lo, Sekong en Attapeu, in het grensgebied van Laos, Vietnam en Cambodja.
Een beetje geschiedenis helpt om het land te begrijpen. Laos kreeg zijn huidige vorm pas toen de Fransen het gebied ten oosten van de Mekong claimden als deel van Frans-Indochina. Veel haalden ze er niet uit, dus ze buitten het minder uit dan Vietnam en zagen het vooral als buffer tegen de Britten in Thailand. Na de Japanse bezetting in de oorlog namen de Fransen weer de touwtjes in handen, tot de communistische beweging met steun van Vietnam de onafhankelijkheid afdwong. Tijdens de Vietnamoorlog werd Laos niet gespaard: de Noord-Vietnamezen gebruikten het als bevoorradingsroute, de Ho Chi Minh-route, en de Amerikanen bombardeerden het daarop suf. Het resultaat is dat Laos het zwaarst gebombardeerde land ter wereld is, met meer bommen dan in de hele Tweede Wereldoorlog samen, plus miljoenen liters Agent Orange.
Vientiane en het Boat Race Festival
Vientiane is heet en vochtig, dus we nemen de tijd om te acclimatiseren, want in het zuiden wordt het vast erger. Aan de stad zie je niet af dat het een hoofdstad is: 200.000 inwoners, veel zandwegen, en pas aan de boeddhistische tempels (de wat’s, waaronder het nationale symbool Pha That Luang) merk je dat je in het centrum loopt. Het platteland begint direct buiten de stad, mooi te verkennen per brommer: houten huizen op palen, rijstvelden, jungle, en Laoten die in hun hangmat onder het huis liggen te chillen. Grote groepen kinderen roepen ons na met sabaidi, alsof ze nog nooit een blanke zagen.
In Tha Khaek is het al niet anders, alleen nog stiller. De rust wordt alleen verstoord door het Boat Race Festival, dat in oktober het einde van het regenseizoen inluidt. In de praktijk is het vooral een luidruchtige kermis met oorverdovende geluidsinstallaties, waar af en toe een bootje voorbijkomt. Op de laatste dag laat bijna elke Laoot een drijvend kaarsje op de Mekong los voor voorspoed, een mooi gezicht. Aan de Thaise overkant vindt hetzelfde festival plaats, maar dan groter: veel vuurwerk en lichtjes die blijven branden, terwijl de Laotische kaarsjes na vijf minuten doven. Laos had net genoeg geld voor twee bootjes met lampjes.
Naar het diepe zuiden
Met de bus zakken we verder af. Reizen met de lokale bus is een avontuur: oude bakken, soms met een houten bovenstel, die komen wanneer het uitkomt en overal stoppen. Alles gaat mee: levende kippen en ganzen, gedroogde krekels en eekhoorns, oude vrouwtjes die op noten met een trippend effect kauwen en met rode monden en vage pretoogjes zitten te suffen, gasflessen, hele voorraden kolen. Wij, twee blonde blanken, maken het plaatje compleet.
In Tat Lo wonen we tijdelijk in een dorp: een hutje met veranda, uitzicht vanuit de hangmat op een waterval en het leven aan de rivier.
We wandelen, fietsen, zitten op een olifant en lopen met een local langs zijn velden om te leren hoe het plattelandsleven werkt. Hier ontmoeten we twee Australiërs van de bomopruimingsdienst. Van alle bommen op Laos is naar schatting dertig procent nooit afgegaan, en juist in deze regio is dat ernstig: kort geleden overleed een jongen uit Tat Lo door te spelen met een gevonden bom. Het grootste probleem bij het opruimen is dat de Verenigde Staten weigeren informatie vrij te geven over waar de nog actieve bommen liggen. Vanuit Sekong en Attapeu, echt afgelegen gebied waar we de enige buitenlanders zijn, bezoeken we met een gids een deel van de Ho Chi Minh-route diep in de jungle, en verkennen we op de motor de zandwegen richting Cambodja, waar kinderen ons aankijken alsof we monsters zijn.
Champasak en de Vierduizend Eilanden
Vanuit Pakse zakken we nog verder af, eerst naar Champasak voor Wat Phu, een Khmer-tempel uit dezelfde wereld als Angkor maar veel kleiner. Vanaf de ruïnes kijken we uit over de Mekongvallei, en het is de klim waard alleen al voor de vraag wie hier ooit deze blokken zo strak op elkaar hebben gestapeld. Het complex begon hindoeïstisch en werd later boeddhistisch; anders dan op veel plekken in de wereld leverde die overname hier geen ruzie op.
Nog zuidelijker, tegen de Cambodjaanse grens, ligt Si Phan Don, de Vierduizend Eilanden. De Mekong is hier veertien kilometer breed en waaiert uit tot een binnendelta van eilanden en zandbanken, een landschap dat er alleen zo uitziet omdat de rivier vlak voor de grens over de Khone-watervallen stort en onbevaarbaar wordt: geen doorgaande scheepvaart, dus ook nooit veel ontwikkeling. Op één na hebben de eilanden geen elektriciteit en geen auto’s. Wij strijken neer op Don Det, in een bungalow met veranda en twee hangmatten bij een familie die we mama en papa moeten noemen, voor één euro per dag.
Veel te doen is er niet, en dat is precies de bedoeling. Je fietst een rondje, vaart met papa in de longboat tussen de eilanden door, hangt in de hangmat terwijl de varkens knorren en de kippen tokken, en leeft een paar dagen mee in het dorp. Dat we hier onze laatste visumdagen uitzitten zegt genoeg. Op het hele eiland lopen dertig toeristen rond, en in de bungalow naast de onze zit Lotte, die ik uit Deventer ken en vierenhalf jaar niet heb gezien.
Het land en de mensen
Laos is fascinerend mooi, met altijd vriendelijke, lachende mensen, maar het is een ontwikkelingsland met grote problemen: de niet-ontplofte bommen, gebrek aan onderwijs (de helft kan niet lezen of schrijven), zwakke medische zorg, malaria, en voedseltekorten waardoor één op de vijf kinderen het vijfde jaar niet haalt. Wat kan zwemmen, vliegen of lopen wordt gegeten: ratten, torren, krekels (die smaken prima), eekhoorns. Wilde dieren zien we in twee weken nauwelijks, op gecko’s en slangen na.
De Laoten leiden een uitgesproken ontspannen leven; ’s ochtends vroeg is er wat activiteit, daarna weinig. Met wat meer aanpakken kan het land vooruit, denken we, maar dat zal onze westerse mentaliteit wel zijn. Voor gestreste mensen thuis introduceren we de uitdrukking “take a Lao day”. Niet voor niets luidt het gezegde: de Vietnamezen planten de rijst, de Cambodjanen kijken hoe de rijst groeit, en de Laoten luisteren hoe de rijs

Deze verhalen schrijf ik zelf, onderweg, zonder advertenties en zonder sponsor. Vond je het de moeite waard? Dan mag je me trakteren op een koffie of een biertje.
Jeroen
Plan je reis
- Overnachten in Laos: vergelijk accommodaties ›
- Trein- en bustickets in Laos: bekijk routes op 12Go ›
- Activiteiten en excursies in Laos: bekijk op GetYourGuide ›
Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.
Meer uit deze reis
Alle verhalen uit Laos ›
Champasak, Wat Phu en de Vierduizend Eilanden: het langzame slot van Laos30 oktober 2005
Het diepe zuiden van Laos: Sekong, Attapeu en de Ho Chi Minh-route25 oktober 2005
Pakse, Tat Lo en het Bolaven-plateau: olifanten, koffie en de bommen onder de grond20 oktober 2005Plan je eigen reis door Laos
De reisgids bundelt alle praktische artikelen: vervoer, overnachten, geld en de beste routes.
Eens per maand in je inbox
Waar ik onderweg was, wat er nieuw is op de site en één verhaal uit het archief. Geen reclame, afmelden kan altijd.
Zonder advertenties
Deze website draait zonder advertenties en zonder sponsor. Vind je de verhalen en gidsen de moeite waard, trakteer me dan op een koffie of een biertje.
Jeroen