De drie Baltische landen werden in 1918 onafhankelijk, als directe uitkomst van de ineenstorting van het Russische tsarenrijk en de chaos van de Eerste Wereldoorlog. Estland, Letland en Litouwen bouwden in het interbellum democratische staten op — fragiel, met politieke turbulentie en in de jaren dertig autoritaire verschuivingen, maar internationaal erkend en functionerend. Dat duurde tot augustus 1940.
Annexatie en eerste deportaties

Het geheime protocol bij het Molotov-Ribbentrop-pact van augustus 1939 deelde Oost-Europa in invloedssferen. De Baltische Staten vielen toe aan de Sovjet-Unie. In de zomer van 1940 eisten Moskou ultimatums, volgden verkiezingen met geconstrueerde uitkomsten, en werden alle drie de landen formeel geannexeerd als Sovjet-republieken. De westerse wereld erkende die annexatie nooit officieel — een juridische positie die tot 1991 van belang bleef.
In juni 1941, een week voor de Duitse aanval op de Sovjet-Unie, werden in één nacht tienduizenden mensen gedeporteerd naar Siberië en Kazachstan. Politici, officieren, intellectuelen, ondernemers — iedereen die als potentiële bedreiging gold. Naar schatting werden uit de drie landen samen ruim veertigduizend mensen weggevoerd in die eerste deportatiegolf. Velen overleefden de transporten niet; anderen stierven in de kampen. De datum, 14 juni 1941, staat in alle drie de landen als nationale herdenkingsdag in de kalender.
Duitse bezetting en de Holocaust
Op 22 juni 1941 viel Duitsland de Sovjet-Unie aan. Binnen weken waren de Baltische Staten bezet door de Wehrmacht. Een deel van de bevolking verwelkomde de Duitsers aanvankelijk als bevrijders van de Sovjet-terreur. Die hoop verdween snel.
De Holocaust in de Baltische Staten was uitzonderlijk in zijn snelheid en omvang. In Litouwen, waar voor de oorlog circa tweehonderdduizend Joden woonden — een van de grootste Joodse gemeenschappen van Europa — was tegen het einde van 1941 al meer dan negentig procent vermoord. De massamoorden vonden plaats in bossen buiten de steden, op plekken als Ponar bij Vilnius en de Nenente Fort bij Kaunas. Lokale hulptroepen werkten mee; dat onderdeel van de geschiedenis is in alle drie de landen decennialang moeizaam besproken en wordt nu voorzichtig herdacht.
Sovjet-Unie, tweede ronde
Na de heroveringen van 1944 begon de Sovjet-Unie opnieuw. Een tweede deportatiegolf volgde in 1949, gericht op het platteland: boeren die weigerden mee te werken aan de collectivisering werden massaal naar Siberië gestuurd. De collectivisering zelf legde de landbouweconomie lam. In de steden verrees een infrastructuur van fabrieken, Sovjet-flatwijken en partijgebouwen die het stadsbeeld van Riga, Tallinn en Vilnius tot op vandaag tekent.
Russische arbeiders werden naar de Baltische industrie gehaald; de steden werden gedeeltelijk Russificeert. In Estland daalde het aandeel etnische Esten in de bevolking van negentig naar zestig procent. In het industriegebied rond Narva in het noordoosten werd de Russische taal volledig dominant.
Verzet en herinnering

Gewapend verzet bleef tot diep in de jaren vijftig voortduren. De *Bosbroeders* — *metsavennad* in het Estisch, *meža brāļi* in het Lets — waren partizanen die zich in de bossen verschansten en nachtelijke aanvallen uitvoerden op Sovjet-posities. De laatste Estse bospbruder gaf zich pas in 1978 over.
In het bos bij Pirciupiai, een dorp in het zuiden van Litouwen, staat een sculptuur van een brandende vrouw. Op 3 juni 1944 brandden SS-eenheden het dorp plat en vermoordden alle 119 inwoners als vergeldingsactie. Het monument staat er in een leeg bos.