We staan op Barn Hill Homestead, minder kleinschalig dan gehoopt; er staat zelfs een Aboriginal-band te spelen. We worden wakker met de zon, die hier al om kwart over zes opkomt, een teken dat we flink naar het oosten zijn opgeschoven. Het is de dag van de grote brand: tientallen kilometers ten zuiden van ons, langs de kust van de Great Sandy Desert, woedt een bushbrand die de hemel volledig verduistert, zodat de zon die dag twee keer lijkt onder te gaan. ’s Avonds treedt de Aboriginal-band op, voorafgegaan door een diner voor tweehonderdvijftig bejaarden; daar doen we om begrijpelijke redenen niet aan mee, maar vanaf onze tent horen we de muziek.
De ochtenden zijn het koelst, dus dan wandelen we over het brede, lege strand, en bij vloed moeten we over de rotsen terugklauteren naar de camping, langs de bejaarden in hun op het strand geparkeerde four-wheel-drives. Aan het einde van de middag ren ik op blote voeten een rondje, zo’n drie kilometer heen en drie terug over het verlaten strand; het is bizar hoe goed je je daarvan kunt voelen.
Het is de dag van de grote brand: de hemel verduistert volledig, en de zon gaat die dag twee keer onder.