Het beeld van Mongolië wordt gemaakt door drie dingen: de kuddes, de ruiters en de witte stippen van de gers in het landschap. Nog altijd leeft een aanzienlijk deel van de bevolking als nomadische veehouder, al loopt dat aandeel terug doordat steeds meer mensen naar Ulaanbaatar trekken. Wie buiten de steden reist, komt het oude bestaan overal tegen, niet als folklore maar als de manier waarop het land werkt.


De ger en de vijf soorten vee
De ger is de ronde vilttent waarin de meeste nomaden wonen, in het Russisch en Westen beter bekend als joert. Een houten geraamte van scharnierende wanden en dakspaken, bespannen met vilt en wit doek, met een kachel in het midden en een rookgat in de top. Een gezin breekt zo’n tent in een uur af en zet hem elders weer op. De indeling ligt vast: de mannenkant links, de vrouwenkant rechts, de eregast tegenover de deur, die altijd op het zuiden uitkijkt.
Het vee bepaalt de welvaart. Mongolen spreken van de vijf soorten muilen: schapen, geiten, runderen, paarden en kamelen, in het noorden aangevuld met de jak. De dieren lopen vrij, want buiten de steden staan vrijwel geen hekken: het land was van niemand en is dat voor een groot deel nog steeds. Een familie verhuist met de seizoenen tussen zomer- en winterweiden. De del, de lange gewatteerde wikkeljas met sjerp, is op het platteland nog dagelijkse dracht en niet alleen feestkleding.

Gastvrijheid als systeem
In een leeg land met een streng klimaat is gastvrijheid geen beleefdheid maar een noodzaak. Wie aankomt bij een ger, wordt binnengevraagd en krijgt thee met melk, vaak gezouten, en wat er verder voorhanden is: droge kwark, airag of een kom soep. Dat geldt voor de reiziger net zo goed als voor een passerende herder. De achterliggende afspraak is wederkerig: ooit sta je zelf in de kou en klop je ergens aan.
Er hoort een ongeschreven etiquette bij. Stap met de rechtervoet over de drempel zonder die aan te raken, loop met de klok mee door de tent, neem aangeboden eten en drinken aan met de rechterhand. Weigeren wat wordt aangeboden geldt als onbeleefd, al wordt van een buitenlander een proefslokje meestal als voldoende beschouwd. De nieuwsgierigheid gaat twee kanten op: bagage wordt openlijk bekeken, kinderen klimmen op schoot, en de taalbarrière wordt overbrugd met tekeningen in het zand.
Dat oude systeem staat onder druk. De trek naar de stad heeft de randen van Ulaanbaatar gevuld met hele wijken van gers zonder riolering, en een reeks strenge winters met massale veesterfte, de dzud, heeft families gedwongen hun kudde en daarmee hun bestaan op te geven. Het nomadenleven dat de reiziger op de steppe ziet, is taai maar niet vanzelfsprekend.
De bagage wordt uitgepakt en bekeken voordat er een woord is gewisseld, niet uit wantrouwen maar uit pure nieuwsgierigheid.