
Het laatste stuk Namibië loopt door de smalste strook van het land: de oude Caprivi, nu de Zambezi-regio, een corridor tussen vier buurlanden. Op de kaart is het een vinger die tussen Angola, Botswana, Zambia en Zimbabwe in wijst, en het is het groenste en natste deel van het land. Het is ook een van de grootste beschermde natuurgebieden ter wereld, waar meerdere nationale parken samen een doorgang voor wild vormen. Ik verheug me op deze etappe. Dieren spotten is geen garantie, dat weet ik, maar dit gebied staat bekend als een van de beste plekken van Afrika om ze te zien. Wat we in werkelijkheid tegenkomen, is genuanceerder.
Over de B8 naar het land van de San
De 70 kilometer naar Omega zijn niet de zwaarste. De B8 is, in tegenstelling tot negentig procent van de Namibische wegen, gewoon verhard, het terrein is vlak en de zijwind helpt zelfs een beetje mee. Op deze verbinding richting Zambia en Zimbabwe rijden opvallend veel vrachtwagens, vrijwel allemaal met zware metalen platen, uit dezelfde richting. Waar ze vandaan komen blijft gissen, maar het voelt alsof we over een logistieke ader door een leeg landschap fietsen. De eerste kilometers staan er nog hutjes langs de weg, daarna verdwijnen de mensen en fietsen we de bush in: laag struikgewas, grassen, verspreide bomen. We zijn gewaarschuwd voor wild dat oversteekt, maar zien alleen een paar koedoes die direct verdwijnen. In Etosha leerden we dat dieren op auto’s nauwelijks reageren. Die horen bij het landschap, fietsers niet.
Ruim voor Omega komen we weer in bewoond gebied. Dit is het leefgebied van de San, ook wel bosjesmannen genoemd, een oudere benaming die je nog hoort maar die ze zelf niet gebruiken. Het is een van de oudste bevolkingsgroepen van zuidelijk Afrika, van oorsprong jager-verzamelaars. Langs de weg liggen kleine clusters hutten, omheind met houten palen, en kleine akkers met gierst. We hadden hier pure wildernis verwacht, maar ook hier wonen mensen, verspreid en kleinschalig. Het politiebureau van Omega ligt achter hoge hekken; onze vraag om te blijven wordt meteen begrepen, want hier stoppen vaker fietsers. Buiten het hek in de bush slapen is geen goed idee: we hebben geen leeuwen gezien, maar ze zijn er wel, en de kans is groter dat zij ons al hebben gezien dan andersom.
Een kilometer verderop ligt een dorp, ontstaan rond een oude legerbasis. Tussen de houten huizen en golfplaten bouwsels staan kleine barretjes met het woord shebeen erop, informele cafés waar lokaal bier en sterke drank worden verkocht. Niemand kijkt op van onze aanwezigheid, mensen groeten vriendelijk, maar dat alcohol hier een grote rol speelt is duidelijk. Op de terugweg barst een stortbui los en zijn we doorweekt voordat we terug zijn. De plek voor onze tent is een modderpoel geworden, dus verplaatsen we alles naar een afdak bij de toiletten. Vanavond slapen we niet in de bush, maar naast de afgesloten ingang van een toiletgebouw. Niet de plek die we in gedachten hadden, maar droog.
Een corridor zonder dieren
Teleurstellend. Dat is wat ik overhoud aan de 140 kilometer naar Kongola. We rijden door een gebied dat deel uitmaakt van de Kavango-Zambezi Transfrontier Conservation Area, kortweg KAZA, met zo’n 500.000 vierkante kilometer het grootste grensoverschrijdende natuurgebied ter wereld. Op papier een van de wildrijkste corridors van Afrika. Wat er wel is: vrachtwagens. Bij een korte stop raken we aan de praat met een chauffeur uit Zambia die zink naar de haven van Walvisbaai vervoert. Het is een route door de wildernis die vooral als transportader functioneert. Ook de bebouwing helpt niet mee: na Omega volgen kilometers gecultiveerd land met hutten en gierstakkers, afgewisseld met stukken natuur die nooit lang genoeg duren om het gevoel van leegte vast te houden.
Dertig kilometer voor Kongola stoppen we bij een winkeltje voor een koude cola. Zoals altijd trekken de fietsen de aandacht, maar mij interesseert iets anders: hoe is het om hier te wonen, met leeuwen in de buurt? Het antwoord komt zonder twijfel: leeuwen komen hier regelmatig, soms zelfs bij de school om water te drinken. Mensen vallen ze zelden aan, maar geiten verdwijnen af en toe. De geruststelling zit in de timing: overdag liggen ze meestal ergens in de schaduw. Bij de Kongola-rivier, kleiner dan verwacht, verandert het beeld. Zodra we het rivierdal in rijden wordt het groener en vochtiger, en ineens zijn daar weer dieren: verschillende antilopen, bavianen, alsof iemand een schakelaar omzet. In deze twee dagen steken we ongemerkt een waterscheiding over, van het stroomgebied van de Okavango naar dat van de Zambezi. Op de kaart een dunne lijn, in het landschap nauwelijks zichtbaar, maar bepalend voor alles wat hier stroomt.
Waar fietsen eigenlijk niet mag
Er zijn twee manieren naar Katima Mulilo: de directe B8 of de langere zuidelijke route langs de grens met Botswana. Die laatste lijkt spannender, dus de keuze is snel gemaakt. Onderweg ligt Nkasa Rupara National Park, in het uiterste noordoosten van het land, ingeklemd tussen Botswana en de Zambezi. Het staat bekend als een van de wildrijkste gebieden van Namibië en wordt vanwege de vele waterwegen ook wel de Namibische Okavango genoemd. Officieel mag je er niet doorheen fietsen. Bij de poort melden we ons en begint het bekende gesprek. Waar is de auto? Die hebben we niet. Je mag hier niet fietsen, hier zitten olifanten, buffels en leeuwen. Hebben jullie geen volgauto?
Nee, we hebben alleen de meewind.
Dat blijkt niet voldoende. Pas als we uitleggen dat we juist deze route hebben gekozen om het drukke vrachtverkeer op de B8 te vermijden, dat voor ons gevaarlijker voelt dan dieren, mogen we door. Op eigen risico. De weg loopt kaarsrecht door dicht savannelandschap, en binnen korte tijd zien we giraffen, een olifant en zelfs een paar buffels, wat het ontspannen fietsen niet bevordert. We bedenken een strategie: schuin achter elkaar rijden, alsof dat een leeuw genoeg in de war brengt. Wetenschappelijk is het niet, maar het geeft houvast. Bij de poort aan de andere kant is de bewaker verbaasd dat we er te voet doorheen zijn gekomen.
Bij de afslag naar de lodge Rupara wordt de weg hard zand, en al snel diep en los. We lopen, duwen en trekken, maar na twee kilometer geven we het op. Teruggaan is geen optie, dus we bellen de lodge, die ons zonder aarzelen komt ophalen met een safari pick-up. De weg erheen voert echt de wildernis in, door een netwerk van zandwegen en moerassen waar je zonder voertuig niet ver komt. De lodge draait op community-based tourism: de lokale gemeenschap beheert de plek en de opbrengsten gaan deels terug naar het dorp, voor onderwijs en natuurbeheer. We hebben het uitzicht over de wildernis voor onszelf. Er zijn geen hekken, dus theoretisch kunnen er gewoon leeuwen langs de tent lopen. Vanochtend lag er blijkbaar nog één langs het pad.
Game drive en de oever van de Zambezi
Vannacht horen we leeuwen en hyena’s, dichtbij genoeg om niet meer in diepe slaap te vallen. Om zes uur zitten we aan de koffie en worden we opgehaald voor de game drive, zoals een safari in zuidelijk Afrika heet, een term die teruggaat op het koloniale woord voor bejaagd wild. Na zeven droge jaren is dit een extreem nat seizoen. De Kwando staat hoog en heeft grote delen van het park in moeras veranderd, ideaal voor nijlpaarden en krokodillen, minder voor leeuwen en buffels, die naar hogere grond in Botswana zijn getrokken. Bijna vier uur rijden we door het wetlandgebied, langs impala’s (waarvan er in Namibië meer lijken te leven dan mensen), zebra’s, wrattenzwijnen, bavianen en een koppel zeldzame lelkraanvogels. Leeuwen blijven uit, want die gaan waar de buffels zijn, en de buffels zijn nu net over de grens. Waar we wel blij van worden is een waterplas vol nijlpaarden, minstens dertig paar ogen die ons aankijken terwijl het water borrelt en de bekken open en dicht gaan. Zolang we niet in het water stappen, hebben we niets te vrezen. Dan rolt vanaf het noordwesten een muur van noodweer over ons heen, gevolgd door een regenboog en een licht dat de doorweekte vegetatie fel groen kleurt.
De volgende dag laten we Nkasa Rupara achter ons, met de wind mee en een storm in de rug. De eerste tachtig kilometer rollen we met een gemiddelde van 26 kilometer per uur, want de onweerswolken bouwen zich weer op achter ons. Het landschap geeft weinig te kijken: vlak, grassig, de ene nederzetting na de andere, en langs de weg de onvermoeibaar enthousiaste kinderen. Waar de weg naar het noorden afbuigt, zijn we de storm voorgebleven en fietsen we onder een bijna blauwe lucht weer als vanouds. Katima Mulilo, de hoofdstad van de Zambezi-regio, ligt direct aan de rivier, de op vier na langste van Afrika, die hier de grens vormt met Zambia. Even verderop komen de Chobe en de Zambezi samen en raken vier landen elkaar: Namibië, Botswana, Zambia en Zimbabwe. Hier beginnen de overstromingsvlakten van de Chobe-Zambezi, waarvan het karakter volledig wordt bepaald door de seizoensgebonden overstromingen. Wat je dan ziet is niet zozeer een rivier maar een landschap dat zijn grenzen kwijt is.
We fietsen naar een kamp aan een arm van de Zambezi, aan de rand van dat gebied. Het is het noordoostelijke puntje van Namibië, het einde van de Namibische etappe: hierna wachten Botswana, Zambia en Zimbabwe. De eerdere storm zijn we voorgebleven, maar ’s avonds krijgen we een andere op ons dak. Uren regent en onweert het, het soort waarbij er in de hemel een stroboscoop aan staat, en iedere keer als je denkt dat het niet harder kan, gaan de sluizen nog een stukje verder open.
Praktische informatie
Hoe er komen: de Zambezi-regio bereik je via de B8, de doorgaande route die Namibië met Zambia en Zimbabwe verbindt. Van de Okavango bij Kongola is het ongeveer 140 kilometer oostwaarts naar Katima Mulilo. Wie de drukke B8 wil mijden, kan de zuidelijke route via Nkasa Rupara nemen, maar houd rekening met diep zand en de regel dat fietsen door de nationale parken officieel niet is toegestaan.
Slapen: langs de route liggen campings en lodges, in het park deels self-catering, waar je alles zelf moet meenemen. In de dorpen kun je in principe vragen om je tent te mogen opzetten; in noodgevallen bieden politieposten (zoals Omega) een veilige plek. Slapen in de open bush is hier vanwege roofdieren geen goed idee.
Eten: sla ruim in bij de supermarkten van Kongola en Katima Mulilo, want daartussen is het aanbod schaars. Reken op self-catering, met een enkel winkeltje voor cola en het hoogst noodzakelijke.
Beste reistijd: wij reden half april, in een uitzonderlijk natte regentijd. De parken stonden deels onder water, waardoor het wild zich verspreidde en veel dieren naar hoger gelegen Botswana trokken. Het droge seizoen (mei tot oktober) concentreert het wild bij het water en maakt de zandwegen beter berijdbaar.
Nog weten: dit is malariagebied; neem profylaxe en muggenwering mee. In de rivieren zitten nijlpaarden en krokodillen, en in de parken lopen leeuwen, olifanten en buffels vrij rond, zonder hekken. Fietsen door de parken gebeurt op eigen risico en is formeel niet toegestaan; een deel van de wildrijkste zones is alleen per voertuig te doen.
Plan je reis
- Overnachten in Namibië: vergelijk accommodaties ›
- Trein- en bustickets in Namibië: bekijk routes op 12Go ›
- Activiteiten en excursies in Namibië: bekijk op GetYourGuide ›
Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.
Foto’s uit Namibië
Meer foto’s uit Namibië ›




Waar dit verhaal ligt
Bekijk de volledige kaart van Namibië ›
Meer uit deze reis
Alle verhalen uit Namibië ›
Aan de oever van de Zambezi20 april 2026
Regen en safari in Nkasa Rupara18 april 2026
Door Nkasa Rupara: waar fietsen eigenlijk niet mag17 april 2026Plan je eigen reis door Namibië
De reisgids bundelt alle praktische artikelen: vervoer, overnachten, geld en de beste routes.
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.