

Tony en ik nemen ieder onze eigen weg uit Samarkand. Hij rijdt de zuidelijke route, ik de noordelijke, over de Fan-bergen. Omdat we allebei de Pamir Highway gaan fietsen weten we dat we elkaar daar weer tegenkomen, en ondertussen houden we contact via WhatsApp. Ik rijd de vallei in, oostwaarts, richting de grens. Bij een bakkerij krijg ik trek en stop ik voor thee en een samsa, het hartige deegpakketje dat hier tegen de wand van een lemen oven wordt gebakken. Meteen word ik aan tafel geroepen bij een groepje mannen, dat het machtig interessant vindt: een fietser, en waar kom je vandaan, en waar ga je heen. Het gesprek gaat in flarden Russisch, Engels en gebaren, zoals bijna elk gesprek onderweg.

Een postkantoor in Taylak-Ata
In Samarkand heb ik ansichtkaarten gekocht en die gisteravond volgeschreven, maar ik heb geen postzegels, en die had ik ook vergeten. Nu wil ik de kaarten nog verzenden voor ik het land uit ben, dus ik ga op zoek naar een postkantoor. In Taylak-Ata vind ik er een, en daar komt een klein apparaat op gang. Een jonge vrouw weegt de enveloppen en plakt de postzegels, een tweede doet de administratie, en de rest van het personeel komt kijken wat er aan de hand is. Er worden stempels gezet, ik moet betalen, ik moet een formulier invullen over de inhoud van de enveloppen, en dan volgen er nog meer stempels.
Aan de grens speelt zich de anticlimax van een andere formaliteit af. Ik heb in Oezbekistan bij elke overnachting keurig mijn registratiebriefjes verzameld, omdat het verhaal gaat dat ze bij vertrek gecontroleerd worden.
Ik heb alle briefjes netjes bewaard, en aan de grens wil niemand ze zien.
Verder stelt het uitreizen weinig voor. Mijn Tadzjiekse papieren heb ik vooraf online geregeld: een e-visum voor een week of zes, en daarnaast een apart permit voor de GBAO, de Pamir-regio waar je zonder dat papier niet in mag. Ruim genoeg voor wat komt.

De bergen in
Wat me van deze overgang het meest bijblijft, is dat ik vanuit het vlakke, dorre Oezbekistan zowat recht tegen de bergen aan rijd. Tadzjikistan is een arm land, en het armste wat ik tot nu toe zie, maar het is meteen ook het meest bergachtige. De taal verandert mee: Tadzjieks is een vorm van het Perzisch, en na weken Turks Oezbekistan klinkt het weer als Iran.
Ik eindig de dag in Panjakent, een stadje aan de Zarafshan-rivier, aan de voet van de Fan-bergen. Bij de ruïnes even verderop lag ooit het oude, Sogdische Panjakent, beroemd om zijn muurschilderingen, en die traditie lijkt door te lopen tot vandaag. Op een muur in de stad staat een groot Sovjet-mozaïek. Ik weet niet precies wat het voorstelt, maar het verrijkt het straatbeeld enorm, net als de beschilderde bushokjes die je in deze landen tegenkomt, zo anders dan het saaie, functionele grijs van thuis.
Ik heb een mooie kamer in het Sugd-hotel, met vanaf het balkon uitzicht op de bergen, en ik eet in restaurant Dusti. Pinnen kan ik hier in de stad nog gewoon, iets wat in Oezbekistan nauwelijks lukte, waar de automaten schaars waren en contante dollars koning. Verderop, dieper de Pamir in, zal het niet meer gaan; daar betaal je alles cash. Na alle vlakke, dorre etappes door Iran, Turkmenistan en Oezbekistan heb ik maar één gevoel: zin in de bergen.
Foto’s uit dit verhaal
Meer foto’s uit Oezbekistan ›




Verder in de serie
Naar het reisoverzicht ›
‹ Vorige aflevering52. De laan van de tombesVolgende aflevering ›Verschijnt binnenkortSpring naar een andere aflevering
- 50. Over de pas naar Samarkand
- 51. Het blauwe uur
- 52. De laan van de tombes
- 53. De grens, de bergen in
- Alle 53 afleveringen ›
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.