
Via de Tashkent Road loop ik de stad door, langs de kolossale Bibi-Khanym-moskee, ooit door Timur gebouwd als de grootste van zijn rijk en na eeuwen van verval weer opgemetseld. Aan het eind, aan de drukke Shah-i-Zinda-straat, liggen aan de overkant de begraafplaatsen. Daartussen ligt de plek waar ik voor kom: de laan van de tombes. Jammer alleen van die weg ervoor.

Shah-i-Zinda
Shah-i-Zinda, “de levende koning”, is een necropool: een oplopende laan met aan weerszijden mausolea, de meeste uit de veertiende en vijftiende eeuw, gebouwd voor de adel en het hof van Timur. De naam verwijst naar Kusam ibn Abbas, een neef van de profeet Mohammed die hier begraven zou zijn en die de islam naar deze streek zou hebben gebracht; daarom is het ook een bedevaartsplaats. Het tegelwerk is het fijnste van Samarkand, en de laan vind ik misschien nog mooier en indrukwekkender dan het Registan.
Wat het compleet maakt, zijn de bezoekers. Een groep vrouwen loopt tussen de koepels door, prachtig gekleed in gebloemde jurken en hoofddoeken, kleding die in deze hitte net zo praktisch als kleurrijk is. Ze spreken geen Engels, komen vermoedelijk van het Oezbeekse platteland, en vinden het geweldig dat ik hen fotografeer. Dat is het aardige van Oezbekistan: mensen laten zich graag op de foto zetten. En anders dan je zou denken maakt hun aanwezigheid de plek niet drukker, maar mooier.
Een groep dikke, witte toeristen in petjes en sokken zou deze laan alleen maar bederven; deze vrouwen maken hem juist af.

Het valt me hier opnieuw op hoezeer Oezbeken hun eigen geschiedenis bezoeken. Dit zijn niet in de eerste plaats toeristen maar pelgrims en families die door het land reizen om te zien wat er van hun verleden en hun geloof overeind staat. Ook bij Timurs graf, de Gur-e-Amir met zijn geribde turquoise koepel, blijven de mensen eromheen het interessantst.

Tony, en het groene mannetje
In Samarkand duikt Tony weer op, de Fransman met de baard met wie ik een dag reed. Een paar dagen geleden stuurde ik mijn moeder een foto van hem, met de mededeling dat dit Frank van Rijn was, de bekende fietser wiens boeken zij allemaal leest en van wie ze net In de ban van Stempelstan herlas, over diens tocht van Tbilisi via de Pamir naar China. Ze twijfelde alleen, schreef ze, omdat mijn man er netter en kaler uitzag. Dat het niet Van Rijn was maar een toevallige Fransman deed weinig af aan de pret.
’s Avonds ben ik terug bij het Registan, opnieuw voor het blauwe uur. Ik kom niet elke dag op zo’n plek, en als ik er dan ben wil ik mijn kansen maximaal benutten. Na sluitingstijd is het plein afgesloten, maar terwijl Tony en ik bij het hek staan komt er een agent in groen uniform naar ons toe. Of we geïnteresseerd zijn. We zijn geïnteresseerd, en we onderhandelen. Voor drie dollar mogen we alsnog het plein op, en voor een paar dollar meer zouden we de minaret mogen beklimmen. Dat laatste slaan we af, tot lichte teleurstelling van de agent, voor wie het de betere deal was geweest. Hij is niet bang om betrapt te worden, alleen dat hij te weinig verdient.
Foto’s uit dit verhaal
Meer foto’s uit Oezbekistan ›




Verder in de serie
Naar het reisoverzicht ›Spring naar een andere aflevering
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.

