Home AziëOezbekistanSamarkand in twee dagen, en dan de bergen in

Samarkand in twee dagen, en dan de bergen in

by Jeroen Kleiberg
Published: Updated:
Het uitgelichte Registan-plein in Samarkand tijdens het blauwe uur, met mensen op het plein
Het uitgelichte Registan-plein in Samarkand tijdens het blauwe uur, met mensen op het pleinAlle foto’s uit Oezbekistan ›

Het ontbijt in een Oezbeeks guesthouse ziet er overal ongeveer hetzelfde uit: brood, groene thee, jam en een kom kaymak, room die zo dik is dat je hem kunt smeren. Ik eet het onder de druivenranken op de binnenplaats en maak voor vertrek nog een portret van de gastvrouw met haar kinderen. Van haar man geen spoor; die zit in Rusland te werken, en dit hele guesthouse is opgezet van wat hij overmaakt. Daarmee klopt ineens iets wat me al dagen dwarszit zonder dat ik er woorden voor had: in deze dorpen zie je opvallend weinig mannen tussen de twintig en de vijftig. Naar schatting werken er ruim twee miljoen Oezbeken in het buitenland, de meesten in Rusland, en het geld dat zij naar huis sturen is goed voor een aanzienlijk deel van wat dit land verdient.

Wie hier een huis ziet opknappen, kijkt naar een loonstrook uit Moskou.

Dan stap ik op, en eindelijk gaat de weg een keer serieus omhoog. Dat voelt eerder als opluchting dan als opgave, want achter me liggen een paar weken van overwegend vlak. De klim naar de Takhtakaracha loopt in een gelijkmatig tempo omhoog, ruim elfhonderd hoogtemeters, en boven op ruim zestienhonderd meter is de lucht meteen een paar graden vriendelijker. Onderweg passeer ik de provinciegrens, gemarkeerd met een wit monument van het soort dat in dit deel van de wereld elke bestuurlijke lijn krijgt: een vlag, een kaart, wat betonnen sierwerk. Boven op de pas staan kraampjes met abrikozen, rozijnen en amandelen, en ik sla in voor een paar dagen vooruit.

De afdaling is lang, en dat is de reden dat klimmen op een fiets nooit echt vervelend is: what goes up, must go down. Samarkand begint met buitenwijken die overal ter wereld hadden kunnen liggen. De koepels waar deze stad om bekendstaat, krijg je pas in het centrum te zien.

Wit provinciemonument met vlag en kaart langs de weg naar de Takhtakaracha-pas

Twee dagen aan een plein

Hier eindigt voor mijn gevoel een etappe. Georgië en Armenië vormden er een, Iran een tweede, Turkmenistan en Oezbekistan samen een derde. Wat hierna komt is het echte bergwerk, tot aan Osh. Ik gun mezelf twee dagen om niets te doen.

Het Registan bestaat uit drie koranscholen die met hun voorgevels een pleinruimte insluiten, alle drie van boven tot onder betegeld. Die van Ulugh Beg is de oudste en dateert uit de vijftiende eeuw; hij was Timurs kleinzoon en eerder sterrenkundige dan heerser, en liet in deze stad ook een sterrenwacht bouwen waarvan de meetboog nog bestaat. De twee andere scholen kwamen er twee eeuwen later bij. Op de ruimte ertussen werd handelgedreven en werden decreten voorgelezen, wat het plein tot iets anders maakt dan een religieus complex: het was het bestuurlijke hart van een stad die aan de Zijderoute rijk werd.

Overdag doet het plein zijn werk. In het uur na zonsondergang doet het iets anders. De gevels gaan in de schijnwerpers en de lucht loopt van oranje naar diep donkerblauw, precies de kleur die ook in de tegels zit. Ergens in de stad begint de oproep tot het avondgebed, en boven mijn hoofd hebben de gierzwaluwen hun drukste half uur van de dag.

Van dichtbij zie je het restauratiewerk. Tussen het mozaïek zit grof cement, en er liggen vervangtegels die qua kleur naast het origineel zitten. De koepels zijn in de Sovjetperiode opnieuw opgemetseld, een minaret die scheef was gezakt is in de jaren dertig met vijzels rechtgezet, en een flink deel van wat je voor middeleeuws aanziet is twintigste-eeuws werk. Dat maakt het niet minder de moeite waard, maar je kijkt voor een deel naar een slordige reconstructie.

Loop je een paar straten naar het oosten, dan stopt het gerestaureerde beeld van de ene hoek op de andere. Daar begint de mahalla, de traditionele wijk, met huizen die zich van de straat afkeren: blinde muren aan de buitenkant, en daarachter een binnenplaats met wingerd waar het leven zich afspeelt. De lemen muren staan er slecht bij, het afval verdwijnt in de goot en de riolering ligt open. Tegelijk kost het hier geen enkele moeite om aan de praat te raken, juist omdat er nooit iemand van buiten komt.

Tweehonderd meter scheidt het werelderfgoed van de open riolen.

De mooiste plek van de stad vind ik niet het Registan maar Shah-i-Zinda, aan de andere kant van de oude stad. Het is een necropool: een straat die tegen een heuvel op loopt, aan weerskanten volgebouwd met grafmonumenten voor de adel en de hofhouding van Timur, de meeste uit de veertiende en vijftiende eeuw. Ze staan zo dicht op elkaar dat je van portaal naar portaal kijkt, en het tegelwerk is verfijnder dan waar ook in Samarkand. De naam betekent zoiets als “de levende koning” en verwijst naar een familielid van de profeet dat hier begraven zou zijn, waarmee de plek naast een monument ook een bedevaartsoord is.

Dat merk je aan wie er rondloopt. Er lopen groepen vrouwen tussen de koepels in gebloemde jurken en hoofddoeken, kleding die in deze hitte net zo verstandig is als opvallend. Engels spreken ze niet, van het platteland komen ze vermoedelijk wel, en gefotografeerd worden vinden ze prachtig. Voor de tweede keer deze week valt me op hoezeer Oezbeken hun eigen erfgoed aflopen: dit zijn geen buitenlandse toeristen maar families en pelgrims die door hun eigen land reizen. Ze maken de plek niet voller. Ze maken hem af.

Tony duik ik hier weer tegen het lijf, en ’s avonds staan we samen voor het hek van het Registan, dat na sluitingstijd op slot gaat. Een agent in groen uniform komt naar ons toe en informeert of we belangstelling hebben. Die hebben we, en er wordt onderhandeld. Voor een bedrag waar je thuis geen kop koffie voor krijgt, mogen we het lege plein op; voor iets meer zouden we ook de minaret in mogen, wat we laten zitten. Daar kijkt hij licht teleurgesteld van, want dat was zijn betere handel geweest. Betrapt worden is niet zijn zorg. Te weinig verdienen wel.

Vrouwen in gebloemde jurken lopen door de laan met mausolea van Shah-i-Zinda in Samarkand

De briefjes die niemand wil zien

Op de laatste dag rijden Tony en ik ieder de stad uit langs onze eigen route, met de wetenschap dat we elkaar op de Pamir toch weer treffen. Ik ga oostwaarts de Zarafshan-vallei in. Bij een bakkerij stop ik voor thee en een somsa, zo’n hartig deegpakketje dat tegen de binnenwand van een lemen oven wordt gebakken, en binnen een minuut zit ik aan tafel bij een groepje mannen dat wil weten waar ik vandaan kom. Dat gesprek verloopt zoals bijna alle gesprekken hier: in restjes Russisch, restjes Engels en veel handen.

Onderweg heb ik nog een klus. In Samarkand kocht ik ansichtkaarten en die heb ik volgeschreven, alleen zijn postzegels een ander verhaal, en ik wil ze weg hebben voor ik de grens over ga. In Taylak-Ata staat een postkantoor, en zodra ik binnenstap komt daar een compleet apparaat op gang. Iemand weegt en plakt, iemand anders schrijft alles op, de rest van het personeel komt erbij staan om te zien wat er gebeurt. Er wordt gestempeld, ik betaal, ik vul een formulier in over wat er in de enveloppen zit, en dan wordt er nog een keer gestempeld. Ondanks die indrukwekkende procedure is er van die kaarten nooit een aangekomen.

Bij de grens wacht een anticlimax. Ik heb van elke nacht in dit land het registratiebriefje bewaard, want het verhaal wil dat je ze bij vertrek moet kunnen tonen, en ik heb mijn administratie dus keurig op orde.

Niemand vraagt ernaar.

Voor het overige neemt het uitreizen anderhalf uur; mijn Tadzjiekse visum en het aparte permit voor de Pamir-regio heb ik weken geleden online geregeld. Wat me van deze overgang bijblijft is puur visueel. Aan de ene kant van de streep ligt vlak, dor bouwland, en aan de andere kant staat een muur van bergen. Ook het gehoor gaat mee: het Tadzjieks is een variant van het Perzisch, en na weken Turkse klanken lijkt het alsof ik terug ben in Iran.

De dag eindigt in Panjakent, aan de Zarafshan-rivier, aan de voet van de Fan-bergen. Even buiten de stad liggen de resten van het Sogdische Panjakent, een handelsstad van vijftienhonderd jaar geleden die vooral bekend is om de beschilderde wanden die er zijn opgegraven. Helemaal opgehouden is dat blijkbaar nooit, want midden in de stad staat een muur vol Sovjet-mozaïek: mannen in kleermakerszit met bekers, druiven, een luit, een zon. Wat het precies voorstelt weet ik niet, maar het doet meer voor een straat dan het functionele grijs waar ik vandaan kom. Vanaf mijn balkon zie ik de bergen liggen waar ik morgen in ga. Na zoveel weken overwegend vlak land is dat het enige waar ik nog naar uitkijk.

Groot Sovjet-mozaiek op een muur in Panjakent met figuren, druiven en een zon
Verhaal uitgelezen? Een kleine bijdrage helpt de verhalen op weg te houden.





Praktische informatie

Takhtakaracha-pas: ongeveer negentig kilometer van Shakhrisabz naar Samarkand, met ruim elfhonderd hoogtemeters naar ruim zestienhonderd meter volgens mijn teller; kaarten noemen soms een hogere waarde. De klim is gelijkmatig en goed te doen, boven is het merkbaar koeler, en op de pas staan kraampjes met noten en gedroogd fruit. Daarna volgt een lange afdaling.

Samarkand: het Registan gaat na sluitingstijd dicht, waarna de bewaking je tegen een fooi alsnog binnenlaat. Wie dat gedoe wil vermijden gaat aan het eind van de middag naar binnen en blijft zitten tot het licht kantelt. Shah-i-Zinda ligt aan de overkant van de oude stad en is in de late middag op zijn mooist, met vooral lokale bezoekers.

Slapen: rond het Registan liggen eenvoudige pensions op loopafstand van het plein, wat veel scheelt als je er twee keer per dag heen wilt. Vraag ook hier om het registratiebriefje.

Grens Jartepa naar Sarazm: rustige overgang, weinig drukte, in ongeveer anderhalf uur geregeld. De registratiebriefjes werden niet gecontroleerd, maar bewaar ze toch, want het kost niets. In 2018 regelde ik vooraf een Tadzjieks e-visum. Dat hoeft niet meer: sinds 1 januari 2022 reizen Nederlanders visumvrij Tadzjikistan in voor een verblijf tot dertig dagen. Voor de Pamir heb je nog wel het GBAO-permit nodig, dat twintig euro kost. Hoe je dat aanvraagt nu er geen e-visumaanvraag meer bij zit, staat op geen enkele Tadzjiekse pagina, dus zoek dat vooraf uit.

Pinnen: in Oezbekistan lukte dat in 2018 nauwelijks en waren contante dollars koning. Direct over de grens, in Panjakent, kon het weer gewoon. Dieper de Pamir in verdwijnt die mogelijkheid opnieuw en betaal je alles contant.

Post versturen: ansichtkaarten koop je in Samarkand, postzegels zijn lastiger. Kleine postkantoren onderweg regelen het, met veel formulieren en veel stempels. Reken er niet op dat de kaarten aankomen.

Plan je reis

Sommige links op deze pagina zijn partnerlinks: boek of koop je via zo’n link, dan verdient Bestemmingonbekend een kleine commissie. Jij betaalt niets extra.

Foto’s uit dit verhaal

Meer foto’s uit Oezbekistan ›

Waar dit verhaal ligt

Plan je eigen reis door Oezbekistan

De reisgids bundelt alle praktische artikelen: vervoer, overnachten, geld en de beste routes.

Naar de reisgids Oezbekistan ›
DelenWhatsAppE-mailFacebook
Jeroen Kleiberg

Jeroen Kleiberg

I like to explore some more

Nieuwe verhalen in je mail

Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.

Waardeer je dit blog?

Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.





Laat een bericht achter


Meer inspiratie