
Vandaag stap ik weer op de fiets, voor de eerste echte etappe van de reis: ruim negentig kilometer naar het zuiden, de grens met Armenië over. Tbilisi uit rijden gaat door de rafelrand van de stad, langs grote betonnen flatblokken met schotelantennes en was aan de balkons. Ervoor liggen moestuintjes waar mensen hun eigen groente verbouwen, een schuurtje, een man met een tas. Wonen doe je hier in beton, eten haal je van je eigen erf.

Door de steppe van Kvemo Kartli
Daarna wordt het land vlak en droog. Ik rijd de steppe ten zuiden van de stad in, geelbruin gras tot aan de horizon. Dit is Kvemo Kartli, de droge vlakte waar een groot deel van Georgië’s Azeri-minderheid woont. Een geëlektrificeerde spoorlijn buigt door de kale heuvels, en in een wijde, lege vlakte steken twee paarden een onverharde weg over, een ervan met een halster om. Verder is er niemand.
Om het vrachtverkeer op de hoofdweg te vermijden zoek ik de zandwegen op. Het is een prachtig pad, dunbevolkt en stil, tot ik in het grensgebied met Azerbeidzjan militairen tegenkom die er anders over denken en me onverbiddelijk terugsturen naar het asfalt.
Langs de weg naar de grens met Armenië staan de waspoederkramen. Kraam na kraam met flessen en zakken wasmiddel hoog opgestapeld, onder borden met groothandelsprijzen in het Georgisch en Russisch. Armenië moet een proper land zijn, denk ik.
In een groen veld werkt een groep vrouwen voorovergebogen tussen de groente, onkruid aan het wieden, met geel bloeiende mosterd langs de rand en bergen op de achtergrond.
Zodra ik mijn camera pak, beginnen ze enthousiast te zwaaien en te roepen.

De grens over
Bij de grens staan de vrachtwagens in de rij, containers met buitenlandse opschriften, een wachtende sliert tot ver langs de weg. Voor mij als fietser gaat het makkelijk en vriendelijk, zonder gedoe. Aan de andere kant wijst een blauw bord in Armeens schrift en in Latijn de weg naar Alaverdi, Vanadzor en Yerevan. Bij een kiosk met een reclame voor Gyumri-bier poseert een oudere man voor me, een muts op, een gestreepte trui onder zijn bruine jasje. Hij spreekt Russisch en Georgisch, ik geen van beide, dus het blijft bij een paar woorden en wat beleefdheden. Ik vraag hem om de foto omdat ik hem een mooi mens vind.
Voorbij de grens verandert het landschap in één klap. De droge steppe maakt plaats voor natte groene heuvels met bergen erachter, verspreide boerderijtjes, zonnestralen die door de nevel breken. De grens valt hier samen met een scherpe overgang in het land zelf. Ik klim gestaag omhoog, het groen in.
Aan het eind van de dag zoek ik een kampplek. Ik wil altijd een plek met een mooi uitzicht, het liefst eentje waar ik de zon kan zien ondergaan, en ver van mensen. Op een grasheuvel zet ik de tent op. Beneden in het dal liggen de lichtjes van een stad, boven de bergen kleurt de lucht roze. Het is mijn eerste nacht alleen in de tent, en het bevalt me beter dan ik had verwacht.
Foto’s uit Armenië
Meer foto’s uit Armenië ›




Verder in de serie
Naar het reisoverzicht ›Spring naar een andere aflevering
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.

