Hanoi voelt ondanks zijn drieënhalf miljoen inwoners niet als een grote stad, op de scooters na, die het straatbeeld bepalen. Oversteken is een kunst: je loopt rustig en gelijkmatig de weg over zonder je iets van het verkeer aan te trekken, want de bestuurders rijden om je heen; rennen is de grootste fout, want dan kunnen ze je niet meer inschatten. Het oude deel heeft smalle straten met Franse gebouwen, en elke straat heeft zijn eigen waar: speelgoed, kleding, beddengoed, eten, telefoons, veel ervan namaak. Opvallend is de handel in gekopieerde boeken, aan de man gebracht door scherpe kinderen die elke titel binnen een dag kunnen leveren; bij een van hen kopen we een Lonely Planet van Laos voor 120.000 dong (ca. €6).
Voor het eerst vliegen
We zoeken uit hoe we naar Laos komen. De noordelijke grensovergangen zijn voor buitenlanders grotendeels gesloten, en de enige bruikbare staat bekend als een lange, dure beproeving met corrupte grenswachten. We besluiten te vliegen, iets wat we onderweg nog nooit hebben gedaan. Bij het kantoor van Vietnam Airlines stellen we zo veel beginnersvragen dat de vrouw achter de balie zich zichtbaar afvraagt hoe wij hier ooit zijn gekomen.
Vliegen blijkt net zo gewoon als een trein of een bus, alleen weten wij dat nog niet.
Voor USD 115 per persoon kopen we tickets voor 12 oktober naar Vientiane, een vlucht van ongeveer een uur. De volgende dag struinen we door de stad, op plastic krukjes met een vers mangosapje, kijkend naar het straatleven: scooters met een heel gezin of een complete winkelvoorraad, straatverkoopsters met rieten manden, en een chaos van elektriciteitskabels langs de gevels. Tussendoor zitten we urenlang in een internetcafé om een nieuw verslag op de site te zetten en mails naar huis te sturen; contact met thuis blijven we belangrijk vinden.