
Ik heb slecht geslapen. Ik lig dicht bij de huizen, de schrik zit nog in mijn lijf, en zodra het eerste licht komt sta ik op. Ik vertrek zonder te ontbijten en, wat me anders nooit gebeurt, zonder koffie. Ik wil hier gewoon weg. Mijn tent staat in de modder tussen de mest, ik heb het koud, en het is geen plek om ook maar een minuut langer te blijven dan nodig.

Wassen in Keygooran
Ik fiets terug langs de tenten van de nomaden die me gisteravond zo op mijn hoede brachten. Tot mijn verrassing zwaaien ze naar me. Vlak na de brug ligt het dorp Keygooran. Daar vind ik een waterkraan om me te wassen, en op een stenen muurtje in de ochtendzon eet ik alsnog mijn havermout en zet ik de koffie die ik vanochtend had overgeslagen. De mensen zijn hartelijk; twee mannen komen naast me poseren, de een in een net colbert, de ander in een leren jas boven een wijde gestreepte broek, met achter hen een ronde rotskop. In een winkeltje sla ik eten in voor onderweg. Langzaam zakt de schrik, en ik zie wat ik gisteravond even was vergeten: de mensen hier zijn gewoon aardig.
Pas als ik weer op de fiets zit en verder de bergen in klim, langs nóg meer nomadententen, begint het me te dagen.
Waarschijnlijk was niet ik degene die zich bedreigd moest voelen, maar zij: ik was de vreemde die ongevraagd naast hun tenten ging staan en, in een gebied waar amper hout ligt, hun schaarse takken opstookte voor een kampvuur; ik had me moeten voorstellen en om toestemming moeten vragen.

Over de pas
Een les, en er met nieuwe energie op los fietsen is de beste manier om hem te verwerken. De klim naar de pas is fantastisch. Het wordt steeds kouder, en langs de weg liggen de eerste vlekjes sneeuw. Herdershonden zijn er ook, maar zolang je niet tussen de kudde loopt gebeurt er weinig; ik trap er rustig langs, en de enkeling die het te bont maakt blaf ik zo hard terug dat hij niet meer weet wat hij ervan denken moet. Boven op de hoogte houdt een groepje enthousiaste jongens me aan. Ze vinden het geweldig dat ik hier fiets en willen samen op de foto, met de besneeuwde toppen achter ons; veel fietsers komen hier blijkbaar niet, en buitenlanders al helemaal niet.
What goes up, must come down. Na de zware maar prachtige klim volgt een lange afdaling door een indrukwekkend dal, met ergens beneden een turkooisgroene rivier die zich door een diepe kloof wringt. Het is opnieuw een dag waarop ik alleen maar vriendelijke mensen tegenkom. Onderweg krijg ik, zoals zo vaak, fruit toegestopt: een stel uit Isfahan dat een uitje maakt drukt me een hele meloen in de handen.
Alleen de wind zit tegen, de hele dag. Als ik na de bergen op de hoofdweg naar Isfahan uitkom, hoop ik eindelijk op rugwind, maar ook hier blaast het pal tegen. Ik heb geen zin om me over een drukke doorgaande weg tegen de wind in te vechten; Iran is heerlijk fietsen, maar niet op de hoofdwegen. Dus sla ik linksaf naar Aligudarz, met het plan om morgen de bus naar Isfahan te nemen, waar de familie woont bij wie ik naartoe wil. Ik neem een kamer in het Jahangardi-hotel, loop ’s avonds een rondje door het stadje en eet in een restaurant. Ik ben weer helemaal de oude.
Foto’s uit Iran
Meer foto’s uit Iran ›




Verder in de serie
Naar het reisoverzicht ›
‹ Vorige aflevering24. Een lift die ik niet had gevraagd
Volgende aflevering ›26. Met de bus naar IsfahanSpring naar een andere aflevering
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.