
De ochtend begint met zon, al staat mijn tent er wat scheef bij; het heeft ’s nachts hard gewaaid. Ik breek op en fiets als eerste het dorp door waar de dominante Dr. Hoessein Hoesini van gisteren woont. Zonder hem tegen te komen, gelukkig, zodat ik niets hoef uit te leggen en niemand in zijn trots hoef te krenken. Daarna heb ik de weg weer voor mezelf.
Al snel rijd ik langs een veld vol klaprozen, zo rood dat ik meteen afstap om foto’s te maken. Ze doen me denken aan een prachtige fietsdag in Oekraïne, jaren eerder, waar de bermen net zo bloedrood kleurden. De weg blijft rustig, bijna zonder verkeer, en het landschap is opnieuw groot en groen. Tegen een helling ligt een dorp van lemen huizen met platte daken, het eerste van deze reis. Het leven ziet er eenvoudig uit, maar op de daken staan zonneboilers; straatarm is het hier niet.

De klim bij Sepiddasht
Rond het middaguur bereik ik Sepiddasht, een intrigerend plaatsje in het dal, met beneden de spoorlijn van de Trans-Iraanse spoorweg, die zich met tunnels en bruggen door dit gebergte wringt. Een trein zie ik niet, wel de rails. Ik fiets het stadje in en stop voor de lunch, want ik weet wat er komt: hierna moet ik klimmen.
Voorbij Sepiddasht steek ik de rivier over via een brug. De weg loopt niet door de kloof zelf, maar geeft er een schitterend uitzicht op: hoge rotswanden en daartussen de wilde rivier, bruin en gezwollen van de regen van gisteren, maar niet gevaarlijk hoog. Dan begint de klim.
Ik ben er nog geen half uur mee bezig als er een auto naast me stopt, met al drie mensen erin. Er hangt regen in de lucht, dat kan ik ook zien, maar de chauffeur geeft me geen keuze. Mijn fiets gaat op het dak, mijn tassen en ikzelf gaan in de auto. Het is behoorlijk dwingend. Om de lieve vrede te bewaren, en omdat je iets wat goed bedoeld is niet zomaar kunt torpederen, ga ik mee.
De hele reden dat ik fiets is dat ik de mooiste plekken niet achter glas hoef te zien, en uitgerekend hier zit ik met mijn neus tegen de autoruit terwijl de spectaculairste klim van de dag voorbijschuift.
Onderweg begint het inderdaad te regenen. In Shul Abad stoppen we midden in het dorp, en daar blijkt de rit ineens niet gratis. Nu maak ik wél stampij, want hier heb ik nooit om gevraagd. Uiteindelijk betaal ik de helft van wat de aardige chauffeur in gedachten had. Veel zal het niet zijn geweest, en om het geld gaat het me ook niet; het balen zit hem erin dat ik dat prachtige stuk niet heb gefietst.
In Shul Abad haal ik boodschappen voor de avond bij een kleine supermarkt. De eigenaar heeft een indrukwekkende snor, ik zeg hem dat, en vraag of ik hem mag fotograferen. Hij poseert in de deuropening met zijn zoontje op de arm, een peuter met een rode knuffel tegen zich aangedrukt.
Voorbij het dorp is het nog altijd mooi. Ik fiets door een groene vallei langs een meanderende bergrivier en zoek een plek voor de nacht. Dat valt niet mee: op elk vlak stuk staan huizen of nederzettingen, en in de rivierbedding wil ik niet gaan liggen. Uiteindelijk vind ik een goede plek op de oever, met besneeuwde toppen boven het dal. Aan de overkant van het veld, richting de brug, staan een paar nomadententen, maar daar denk ik verder niet over na.

Bezoek bij het vuur
Het is kil geworden. Ik kook mijn vaste bord pasta en maak een vuurtje, en geniet van het alleen zijn. Dat vuur had ik misschien beter niet kunnen maken, want in het donker krijg ik bezoek van mijn buren: een vader met zijn twee zoons van begin twintig. Er klopt iets niet, en voor ze bij mijn vuur zitten heb ik mijn waardevolle spullen al diep in mijn tassen verstopt; ik wil vooral niet overkomen als iemand met geld en spullen. Praten lukt niet, we delen geen woord Farsi of Engels. De sfeer is ronduit vijandig. De twee jongens zitten me op van alles uit te dagen terwijl de vader ongevraagd mijn tent van binnen bekijkt. Door mijn oorbel denken ze blijkbaar dat ik homo ben, wat tot nog vreemder gedrag leidt.
Ik weet niet hoe dit afloopt. Mijn enige strategie is de-escaleren en zorgen dat ze weggaan. Een uur lang voelt het volstrekt verkeerd. Dan vertrekken ze eindelijk, het pikkedonker in.
Ik vertrouw het voor geen meter en ben bang dat ze ’s nachts terugkomen. Zonder licht te maken prop ik alles zo snel als ik kan in mijn tassen en fiets terug in de richting waar ik vandaan kwam. In het aardedonker verstop ik mijn tent tussen de bomen op een heuvel, in de modder tussen de koeien- en schapenmest. Een vreselijke plek, en verderop slaan de honden van de bewoners aan. Niemand weet dat ik hier lig, en dat is precies de bedoeling. Pas als ik me echt verborgen weet, zak ik alsnog in slaap.
Foto’s uit Iran
Meer foto’s uit Iran ›




Verder in de serie
Naar het reisoverzicht ›
‹ Vorige aflevering23. Door Lorestan, en een gastheer die geen nee accepteert
Volgende aflevering ›25. De ochtend erna, over de hoge pasSpring naar een andere aflevering
Nieuwe verhalen in je mail
Eén bericht bij elke nieuwe aflevering, verder niets.
Waardeer je dit blog?
Een kleine bijdrage helpt om de verhalen te blijven schrijven.